Posts tonen met het label Nederlands. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Nederlands. Alle posts tonen

vrijdag 8 mei 2009

De weg uit de depressie

met betalingsverkeer en ideeën van en voor de Rabobank

Betalen wordt steeds consument-vriendelijker en sneller. Vandaag aandacht voor enkele ontwikkelingen bij het moderne bankbedrijf.

Rente op je internet rekening

De pioniers die zorgden voor het internet, willen dat het bankieren via het internet gebruikersvriendelijk is. Door efficiëntie kunnen de kosten voor de transacties lager zijn, waardoor je meer rente voor je rekening krijgt. Dat je kunt sparen via het internet is dan ook enorm handig. Het valt in de praktijk niet mee, neem nu het 'internet-bonus-sparen' van de Rabobank. Vroeger moest je een extra spaarbankboekje hebben voor een hogere rente. En dit idee leeft nog voort in deze eeuw, ondanks de millennium doelen.

Aanjagen huishouden en economie

De internet-bonus rente krijg je alleen als je een extra rekening opent met de naam 'internet-bonus-spaarrekening'. Om momenteel te sparen met aantrekkelijke rente, zul je geld moeten overmaken naar het bonus-rekeningnummer. Gelukkig is dat niet zo moeilijk. In tijden van depressie kun je je spaargeld aanspreken om je eigen huishouden en de economie aan te jagen. Helaas heeft de Rabobank het niet gemakkelijk gemaakt om geld terug te boeken van je bonus-rekening naar je betaalrekening en zul je een hobbel moeten nemen.

Opnemen vanuit bonus-rekening

Vandaag was er weer zo iets: Mijn buurman had een zuinige auto te koop en dat is goed voor het milieu. Voor de aankoop vroeg hij contant geld en dit moest van de bonus-rekening gehaald. Je probeert dan via internet een bank-overschijving te doen van bonus- naar betaal-rekening. Zodat je het bedrag bij de flappentap kunt ophalen. De hobbel is: Je kunt alleen vanuit je betaalrekening een bank-overschrijving doen.

Voordeel van eenvoud snijdt aan meerdere kanten

Depressie is een tijd om goed na te denken over waarop je kunt bezuinigen. Je zou zeggen: maak de extra rekening overbodig en geef gewoon meer rente op de betaalrekening. Voor een middenklasse bank is dat simpel gedacht. Echter, nu ook steeds meer 'gewone' mensen middenklasse banken weten te vinden, kan het voordeel van eenvoud aan belang winnen en gemak zwaarder wegen. Dan kunnen meer kinderen en ouderen profijt van internet beleven en wordt hen meer overzicht geboden over het totaal van hun verschillende tegoeden. Voorstel is om de procedures kritisch na te lopen en vereenvoudigingen door te voeren vanwege de hoge kosten die aan automatisering verbonden zijn. Het mes snijdt aan meerdere kanten: zowel bank als klant komen er gunstig uit met dit blog van Bert Kerkhof.

Telefonische hulp vaak onontbeerlijk

Het internet is vaak niet moeilijk, maar soms is nog aanvullend telefonische hulp nodig. Terwijl je buurman geduldig op zijn geld staat te wachten, probeer je een telefoonnummer van de Rabobank te vinden. De telefoon van je plaatselijke kantoor is vaak bezet of neemt niet op. Na veel internet bladeren kom je bij de 'Rabo-lijn'. Na de niet te omzeilen mededelingen over de kosten van het nummer en het keuze-menu hoor je de onverbeterlijke boodschap dat een medewerker aan de lijn komt om je te woord te staan. Zeer informatief allemaal. Je legt je klacht zo goed mogelijk uit, om dan te horen dat je beter een ander nummer kunt bellen: de helpdesk internet-bankieren. Kennelijk kan men niet intern doorverbinden en is het te moeilijk om achter éen telefoonnummer verschillende deskundigheden bij elkaar te hebben. Ook de helpdesk internet bankieren nummer is niet eenvoudig te bereiken. Toets eerst je rekeningnummer in en dit nummer wordt door een automatische medewerker nog eens opgelezen en er wordt gevraagd of het allemaal correct is en of je een toets op je telefoon wilt indrukken.

Het ware beter als het juiste nummer van de helpdesk is te lezen onderaan ieder scherm van het internet-bankieren. In het begin zal mogelijk veel gebeld worden. Maar wanneer de belangrijkste onduidelijkheden zijn verholpen, valt dit reuze mee. Dat is tenminste mijn ervaring met de website Kindindeknel.nl, waar toch meer complexe problemen tot oplossing worden gebracht dan louter financiële transacties.

Faciliteiten help-desk

Een vriendelijke Rabo-medewerkster vraagt te vermelden dat de help-desk nu niet kan meelezen op het scherm van de klant aan de lijn. Het zou het werk verbeteren, als dit wordt mogelijk gemaakt. Hiermee stem ik in, en neem deze wens mee in dit blog.

Betere verwoording

Welnu het blijkt dat je, om een overschrijving te doen vanuit je bonus-spaarrekening, in het menu moet kiezen voor 'eigen rekening'. Daar kun je dan een eigen rekening transactie doen. Niet perfect verwoord allemaal, want je zoekt niet naar een extra eigen rekening of eigen transactie, daar ben je zelf niet mee gediend. Eerder zoek je naar 'Bank overschrijving', 'Spaargeld aanspreken' of 'Contant geld opnemen'. Na mijn freelance werk bij de afdeling betalingsverkeer van de Rabobank voor het europese midden- en kleinbedrijf, woon ik nu in de bossen van Drenthe. Maar als je zoiets ziet, jeukt het om weer in Utrecht een klus te klaren.

Verblijfs-status van je geld

Een opdracht om tussen Rabo-rekeningen geld over te boeken, kan snel worden uitgevoerd. De Rabobank is daarbij niet afhankelijk van andere banken of Equens (het interbancair overboekingskantoor), zoals bij vele overschrijvingen. Na het doen van de overboeking van bonus- naar betaalrekening zie je op het scherm de transactie-status 'openstaand'. Je kunt beter niet wachten totdat de status vanzelf wijzigt, want als burger ben je in die periode niet zeker waar je geld verblijft, het is voor onbepaalde tijd. Wil je zeker zijn dat je geld straks bij de flappentap beschikbaar is, kun je het beste uitloggen en vervolgens inloggen. Bij het inloggen moet je weer je rekeningnummer intoetsen en de controlegetallen. Dan pas zul je zien dat de overboeking heeft plaatsgevonden. Een verbetering is, als direct en automatisch de juiste status op je computerscherm verschijnt.

Biljetten keuze bij het flappen-tappen

Tenslotte het flappen-tappen. De Rabobank beschikt over uitstekende automaten, waar je de biljetten kunt kiezen. Nu wordt aanbevolen ook kleine bedragen te pinnen, wordt steeds vaker ge-pint. Dit betekent dat je met minder contanten toe kunt. Collectes aan de deur, een aantal markt-kramen en kleine kantine's zoals bij voetbalclubs vragen contant geld. Bij sommige handelaren zoals vrije taxi-chauffeurs is het nodig zoveel mogelijk gepast te betalen. Van belang is dan om over kleine biljetten te beschikken, omdat men vaak niet van groot geld terug heeft. Met gepast geld kom je uit op de afgesproken prijs.

Toegankelijkheid biljetten keuze automaat voor mannen

Een aantal lokale kantoren bij de Rabobank hebben de moderne flappentap-automaat binnen geplaatst. Zodat deze alleen tijdens de openings-uren te bereiken is. Veelal is naast de automaat een telefoon voor telefonische hulp bij de overboeking. Kan me voorstellen dat de kwetsbare telefoon binnen is, in verband met vandalisme. Het ware beter de automaten waar je de biljetten kunt kiezen, ook na sluitingstijd toegankelijk te houden. Zodat ook mannen, die veelal pas in avond-uren en in weekends gelegenheid hebben voor een bezoek aan de bank, gepast kunnen betalen.

Dank aan Wouter Bos voor zijn suggesties. Het aanspreken van opgepot spaargeld om het huishouden in tijden van depressie te stimuleren, kan niet snel genoeg gaan.

vrijdag 27 maart 2009

De middenklasse onder druk

door Paul de Beer

1. Inleiding: wat is de middenklasse?

Kort voor zijn onverwachte overlijden schreef Thijs Wöltgens, onder meer oud-fractievoorzitter van de Tweede Kamerfractie van de PvdA, een prikkelend stuk voor NRC Handelsblad (12 april 2008), waarin hij betoogde dat de middenklasse aan het verdwijnen is. “Terwijl in het verleden de omvang van de middenklasse buitengewoon stabiel was, blijkt deze de laatste jaren dramatisch te krimpen.” Het verdwijnen van de middenklasse verklaarde volgens Wöltgens tevens de uitholling van het politieke midden en de populariteit van enerzijds de SP en anderzijds van de PVV en Trots op Nederland. De middenpartijen – in het bijzonder zijn eigen Partij van de Arbeid – doen er daarom verstandig aan zich wat minder druk te maken om “kwesties als het wel of niet geven van een hand, het dragen van een boerka of hoofddoekje”. En hij vervolgde: “Er is waarachtig wel meer aan de hand. En wel niets minder dan het verdwijnen van het midden. Dat midden is de ruggengraat van elke democratische samenleving. Handhaving en versterking van de middenklasse is op dit moment dus het hoogste gebod.”

Wöltgens stond zeker niet alleen in zijn opvatting dat de middenklasse onder druk staat. Zo verdrongen bij de algemene politieke beschouwingen van september 2007 de woordvoerders van de oppositiepartijen in de Tweede Kamer elkaar bij de interruptiemicrofoon om het kabinet te kapittelen voor de wijze waarop het de Hardwerkende Nederlander het gelag laat betalen voor het regeringsbeleid. Feitelijk vallen al sinds de jaren tachtig met enige regelmaat waarschuwingen te beluisteren voor een dreigende tweedeling van de samenleving, die zou uitmonden in een diepe kloof tussen de kansarme groepen aan de ‘onderkant’ en de kansrijken aan de ‘bovenkant’.

In deze bijdrage ga ik na hoe reëel de vrees voor het verdwijnen van de middenklasse in de Nederlandse samenleving is. Daarbij beperk ik mij tot de sociaal-economische aspecten van de middenklasse en ga ik voorbij aan sociaal-culturele en politieke aspecten.

Wie een gefundeerd oordeel wil vellen over de positie van de middenklasse stuit onmiddellijk op het probleem dat de meeste uitspraken over het lot van de middenklasse aan precisie missen. Daardoor is het lastig ze aan een kritisch oordeel te onderwerpen. In het algemeen doen zich twee problemen voor. In de eerste plaats geeft men meestal niet nauwkeurig aan wat men onder de middenklasse verstaat. In de tweede plaats is vaak niet duidelijk waaruit zou moeten blijken dat de middenklasse onder druk staat: gaat het erom dat de positie van de leden van de middenklasse verslechtert, of dat de middenklasse zelf geleidelijk aan het verdwijnen is? Beide vragen zijn overigens niet los van elkaar te beantwoorden.

Ook als men te rade gaat bij de wetenschappelijke literatuur, vindt men slechts zelden een scherpe definitie van de middenklasse. Theoretisch is de middenklasse dan ook een uiterst lastig concept. Er is veel theoretische literatuur over de onderklasse, de arbeidersklasse of het proletariaat. En er zijn eveneens de nodige – zij het beduidend minder – theoretische teksten over de hogere klasse of de elite. Maar de middenklasse is vaak niet veel meer dan een restcategorie, zij het dan wel een waarvan vaak wordt aangenomen dat zij meer dan de helft van de bevolking omvat. Het probleem begon al bij Karl Marx, de grondlegger van het klassenbegrip, die het bestaan van een middenklasse ontkende. Dat paste immers niet in zijn schema waarin alles draaide om de tegenstelling tussen arbeiders en kapitalisten. Hoewel veel kritiek op Marx zich juist op dit ontkennen van de middenklasse richtte, monde die kritiek meestal niet uit in een heldere definitie van wat die middenklasse precies typeert. Meestal wordt de middenklasse nog steeds in negatieve zin gedefinieerd, namelijk als het (grote) deel van de bevolking dat noch tot de arbeidersklasse of lagere klasse, noch tot de kapitalisten of hogere klasse behoort.

Een interessant uitzondering hierop vormt de moderne Marxistische socioloog Erik Olin Wright (1985, 1989). Hij borduurt voort op een centraal element in Marx’ klassenanalyse, namelijk uitbuiting of exploitatie. De kapitalistische klasse buit de arbeidersklasse uit door zich de meerwaarde die zij produceert, toe te eigenen. In deze analyse is geen plaats voor een middenklasse tussen de uitbuiters (de kapitalisten) en de uitgebuitenen (de arbeiders). Maar Wright stelt dat er wel degelijk ruimte is voor een middenklasse als we meerdere dimensies van uitbuiting onderscheiden. Hij definieert de middenklasse als die beroepsgroepen die worden uitgebuit in termen van kapitalistische uitbuiting, maar die zelf anderen uitbuiten via andere mechanismen. Relevante dimensies zijn volgens hem, naast het bezit van kapitaal, kennis en vaardigheden (skills) en controle over organisaties. De middenklasse bestaat in zijn visie dan ook uit professionals (die uitbuiten in termen van kennis en vaardigheden) en managers (die uitbuiten via hun controle over organisaties). Beschouwen we alleen werknemers met een functie op hbo- of academisch niveau als professionals, dan zou de middenklasse volgens deze definitie slechts een kwart van de beroepsbevolking omvatten. De lagere klasse, dat wil zeggen werknemers met een functie op ten hoogste mbo-niveau, zou dan liefst 60 procent van de beroepsbevolking uitmaken. De resterende vijftien procent van zelfstandigen vormt dan de ‘kapitalistische’ klasse.

Dit lijkt niet erg aan te sluiten bij de gangbare interpretatie van de middenklasse als een grote middengroep. Een passender afbakening van de middenklasse is dan ook dat deze bestaat uit alle werkenden (incl. zelfstandigen) die een functie op middelbaar niveau vervullen (d.w.z. een beroep waarvoor een mbo-, havo- of vwo-diploma is vereist). De middenklasse omvat dan bijna veertig procent van de beroepsbevolking, tegenover de lagere klasse (met een beroep op vmbo-niveau of lager) en de hogere klasse (met een beroep op hbo- of academisch niveau) elk dertig procent.

Als we het in het dagelijks spraakgebruik over de middenklasse hebben, bedoelen we daarmee meestal echter niet een beroepsgroep, maar de middeninkomensgroepen. Dit is de tweede interpretatie van de middenklasse waarvan ik in dit stuk zal uitgaan. De exacte afbakening van de middenklasse is dan onvermijdelijk willekeurig. Gebruikelijk is om bijvoorbeeld de ‘middelste’ vijftig of zestig procent van de inkomensverdeling als de middenklasse aan te merken. De twintig of vijfentwintig procent met de laagste inkomens vormt dan de lagere klasse en de twintig of vijfentwintig procent met de hoogste inkomens de hogere klasse. Verder is het gebruikelijk om bij de middeninkomensgroepen niet uit te gaan van het individuele inkomen, maar van het huishoudensinkomen. Definieert men de middenklasse als de middelste vijftig procent van de inkomensverdeling – oftewel het tweede en derde kwartiel – dan ligt de (relatieve) omvang van de middenklasse daarmee natuurlijk vast en kan er nooit sprake zijn van groei of krimp.

In het navolgende zal ik op grond van beide definities van de middenklasse – namelijk de middelbare beroepen en de midden-inkomensgroepen – de ontwikkeling die de middenklasse in de afgelopen decennia heeft doorgemaakt schetsen. Afhankelijk van wat relevant is, zal ik nagaan of de positie van de middenklasse verslechtert of verbetert dan wel of de middenklasse groeit of krimpt. Alvorens daartoe over te gaan bespreek ik echter eerst enkele theoretische argumenten waarom de positie van de middenklasse onder druk zou kunnen staan.

2. Economische theorieën over onder-, boven- en middenklasse

Zoals gezegd is er wel veel theoretische literatuur, en dat geldt zeker voor de economische literatuur, over de groepen aan de onderkant en aan de bovenkant van de samenleving, maar niet over de middengroepen. In veel theoretische beschouwingen blijven de middengroepen onbesproken of worden zij (impliciet) tot hetzij de hogere, hetzij de lagere groepen gerekend.

In de economische literatuur gaat het vooral om theorieën die de drijvende kracht zoeken in de technologische ontwikkeling en in de internationale arbeidsverdeling (of globalisering).

Een bekend voorbeeld van de eerste benadering is Jan Tinbergens race tussen technologie en opleiding. Tinbergen (1975) stelde dat technologische vooruitgang de vraag naar hoogopgeleiden vergroot, waardoor hun (arbeidsmarkt)positie verbetert. Dit wordt tegenwoordig meestal aangeduid als skill-biased technological change. Doordat steeds meer jongeren steeds langer naar school gaan, groeit tegelijkertijd ook het aanbod van hoogopgeleiden. Dit verzwakt hun (relatieve) arbeidsmarktpositie. Het hangt af van de grootte van beide effecten, of de positie van hoogopgeleiden ten opzichte van laagopgeleiden verbetert (de technologie wint de race) of verslechtert (de opleiding wint de race). Tot in de jaren tachtig leek het stijgende opleidingsniveau in Nederland – en in veel andere landen – te domineren en namen de beloningsverschillen tussen hoog- en laagopgeleiden af. Sinds de jaren negentig doet zich echter de omgekeerde ontwikkeling voor (Jacobs 2004).

Het is echter onduidelijk wat deze race tussen technologie en opleiding betekent voor de middenklasse: trekt die het meeste profijt van een snelle technologische ontwikkeling of juist van een sterke expansie van het onderwijs?

In de economische literatuur is er ook veel aanacht voor de gevolgen van toenemende internationale handel – kortweg globalisering – voor de arbeidsmarktpositie van hoog- en laagopgeleiden. Voortbouwend op Ricardo’s theorie van comparatieve voordelen, zouden laagopgeleiden in de rijke landen door groeiende handel met lagelonenlanden steeds meer concurrentie ondervinden van laagopgeleiden elders in de wereld. De hoogopgeleiden zouden daarentegen profiteren van een groeiende wereldwijde vraag naar hun capaciteiten. Hierdoor zouden de verschillen in beloning en/of in werkloosheid tussen hoogopgeleiden en laagopgeleiden in de rijke landen toenemen. Ook deze theorie is echter niet eenduidig over de consequenties hiervan voor de middengroepen.

Eind jaren tachtig poneerden de Amerikaanse economen Harrison en Bluestone in hun boek The Great U-Turn (1988; 1990) dat bedrijven conform moderne managementstrategieën trachten hun concurrentiepositie te versterken door te bezuinigen op loonkosten en de inzet van arbeid te flexibiliseren. Deze low road naar winstgevendheid zou resulteren in een polarisatie van de beloningsstructuur: groei aan de onderkant en aan de bovenkant, krimp in het midden.

De analyse van Harrison en Bluestone vond weinig steun onder de mainstream-economen, die zich vooral concentreerden op de hierboven geschetste verklaringen.

Recent wordt in de economische literatuur echter ook weer aandacht besteed aan de mogelijke gevolgen van technologische ontwikkeling en globalisering voor de (lagere) middengroepen. De Amerikaanse economen Autor, Katz en Kearny (2006) ontwikkelden een aangepaste versie van de theorie van de skill-biased technological change, waarin plaats is voor een derde groep, tussen de laagst geschoolden en de hooggeschoolden. De hoogste categorie vervult abstracte taken, de middelste categorie routinematige taken en de laagste categorie niet-routinematige handmatige taken. Het nieuwe element van hun theorie is, dat hierin juist de middengroep het zwaarst te lijden heeft van de technologische ontwikkeling. Technologische ontwikkeling (in het bijzonder ICT) vergroot de vraag naar abstract kenniswerk maar vermindert de vraag naar routinematige arbeid, zoals in veel administratieve en productiefuncties. Dat is immers bij uitstek werk dat door automaten en computers kan worden overgenomen. Het ongeschoolde handwerk, zoals schoonmaken, het besturen van auto’s (bv. taxi’s) en kranen, bewaking, werk in de horeca, etcetera, is juist, vanwege het niet-routinematige karakter, niet goed te automatiseren en wordt dan ook niet beïnvloed door technologische ontwikkeling. Het resultaat is dat het hoogste segment groeit, het middensegment krimpt en het laagste segment in omvang ongeveer gelijk blijft.

Ook in de literatuur over de gevolgen van globalisering is er de laatste jaren meer aandacht voor de effecten voor de middengroepen, al heeft dit nog niet geresulteerd in een samenhangende theorie. Er wordt met name op twee factoren gewezen die de positie van de middengroepen onder druk zetten. In de eerste plaats zouden nieuwe opkomende economieën als China en India niet langer alleen op goedkope, laaggekwalificeerde productie concurreren, maar steeds meer ook op hoogwaardige, kennisintensieve productie. Het bekendste voorbeeld daarvan zijn ICT-diensten, zoals software-ontwikkeling. Als gevolg daarvan ondervinden ook middelbaar opgeleide werknemers in de rijke landen steeds meer internationale concurrentie. Aangezien de lonen in deze opkomende economieën nog slechts een fractie zijn van die in West-Europa, is het voor veel bedrijven aantrekkelijk om werkzaamheden naar de lagelonenlanden te verplaatsen (outsourcing en offshoring) (zie bijvoorbeeld Friedman, 2005).

In de tweede plaats zou globalisering, en vooral de haast onbelemmerde mobiliteit van kapitaal, het bedrijfsleven in de rijke landen dwingen hun productie steeds flexibeler te organiseren. Deze behoefte aan flexibiliteit wordt in belangrijke mate afgewenteld op de factor arbeid. Als gevolg daarvan komen er niet alleen meer flexibele contracten, maar neemt ook de baanzekerheid van het kernpersoneel af. De ‘baan voor het leven’ bestaat al niet meer, maar ook werknemers met een contract ‘voor onbepaalde duur’, kunnen er steeds minder van op aan dat die duur niet binnen een paar jaar ten einde zal zijn en zij op zoek moeten naar een nieuwe baan. Dit leidt niet alleen tot inkomensonzekerheid, maar verzwakt ook de onderhandelingspositie van de traditionele werknemers tegenover hun werkgever, hetgeen zich weer vertaalt in een (relatieve) verslechtering van arbeidsvoorwaarden. Deze these over de ‘precarisering’ van de middenklasse is tot nog toe overigens vooral door sociologen naar voren gebracht (bv. Beck 1999, Sennett 2006).

3. De middenklasse als beroepsgroep

In deze paragraaf beschrijf ik de ontwikkeling van de middenklasse in de afgelopen decennia als deze wordt gedefinieerd als de middelbare beroepen. In de volgende paragraaf komt het wel en wee van de middeninkomensgroepen aan de orde. Tenzij anders vermeld zijn de cijfers in deze paragraaf ontleend aan de internet database van het CBS, Statline.

3.1. Neemt het belang van de middengroepen af?

Het Centraal Bureau voor de Statistiek deelt de beroepen in ons land in op basis van het vereiste opleidingsniveau. Dit maakt het eenvoudig om na te gaan of de middenklasse, gedefinieerd als de beroepsgroepen op middelbaar niveau, groeit of krimpt. Het CBS onderscheidt vijf beroepsniveaus: elementair, lager, middelbaar, hoger en academisch. Voor de eerste twee beroepsgroepen is een opleiding op ten hoogste vmbo-niveau vereist, voor de laatste twee is een hbo- of wo-diploma vereist. De middelbare beroepen, waarvoor een opleiding op havo-, vwo- of mbo-niveau nodig is, kunnen dan worden beschouwd als de beroepsgroep van de middenklasse. Op grond van deze definitie behoort 38 procent van de Nederlandse beroepsbevolking tot de middenklasse. Figuur 1 schetst het aandeel van de drie ‘klassen’ op basis van het beroepsniveau in de totale werkzame beroepsbevolking sinds 1985. Het aandeel van de lagere klasse (elementaire en lagere beroepen) is in 21 jaar tijd met tien procentpunten afgenomen (van 40,6 naar 30,5%), terwijl het aandeel van de hogere klasse (hogere en wetenschappelijke beroepen) met tien procentpunten is gegroeid (van 19,8 naar 30,0%). Het aandeel van de middengroepen is nagenoeg gelijk gebleven (38,6% in 1985 en 38,3% in 2006). Zo bezien vormt de middenklasse dus een zeer stabiel segment van de beroepsbevolking.

Op grond van een andere functieniveau-indeling (nl. die van Huijgen 1989, zie ook Asselberghs et al. 1998) kunnen we het aandeel van de middenklasse nog verder terug volgen, en wel tot 1960. Volgens deze indeling (waarbij functieniveaus 4 en 5 als de middenklasse worden aangemerkt) bedroeg het aandeel van de middenklasse in 1960 36,6 procent en in 1995 34 procent, hetgeen erop duidt dat ook over een periode van bijna een halve eeuw de middenklasse maar weinig in (relatieve) omvang is veranderd.

Figuur 1

Dat het aandeel van de middelbare beroepen in de totale werkgelegenheid opmerkelijk stabiel is, betekent niet dat er op het niveau van individuele beroepen niet een grote dynamiek is. Tabel 1 toont de groei en krimp van de werkgelegenheid in de verschillende middelbare beroepen tussen 1996 en 2006. Voor bijna twee op de drie middelbare beroepen is de werkgelegenheid in deze periode gegroeid, maar bij een op de drie was er sprake van krimp. De groei deed zich vooral voor in dienstverlenende beroepen, de krimp in productie- en agrarische beroepen.

Tabel 1: Groei en krimp van middelbare beroepen tussen 1996 en 2006
  abs. (x1000) In %
middelbaar admin. medew., directiesecretaresse, boekhouder 71 18
makelaar, bankemployee, verzekeringsagent, inkoper 45 16
sociotherapeut, ziekenverzorgende 41 73
personeelsfunctionaris, maatsch. werker, consulent 38 67
ober-kelner, chef-kok, crècheleidster, kapper 27 14
computeroperator, programmeur 24 44
doktersassistent, operatie-assistent, kraamverzorgende 20 19
opticien, apothekersassistent, kraamverzorgende 20 19
aannemer, loodgieter, meubelmaker 10 6
bedrijfshoofd hotel, restaurant 8 20
productieplanner, werkvoorbereider 7 13
politieagent, rechercheur 7 15
redacteur, bibliotheekassistent 6 22
belastingambtenaar, -consulent, deurwaarder 4 11
machinebankwerker, automonteur, treinbestuurder 3 2
conducteur, havenmeester, steward(ess) 3 11
medisch secretaresse 3 20
cnc-programmeur-verspaner, constructiebankwerker 1 2
procesoperator, banketbakker 0 0
detailhandelaar, eerste cassière -1 -1
bloemschikker, boswachter, assistent-landbouwkundig onderzoeker -3 -33
bedrijfshoofd transportbedrijf -3 -11
technisch werkvoorbereider, reclameschilder -3 -16
overige middelbare beroepen -5 -13
kleermaker, stoffeerder, electronicamonteur, brandweerman -5 -9
weg- en waterbouwkundig opzichter, calculator, baggermachinist -6 -19
elektricien, installateur, elektronicamonteur -11 -11
drukker, bedrijfshoofd drukkerij -15 -41
bedrijfshoofd agrarische bedrijf -30 -25
     
Totaal 248 10
 
De genoemde beroepen zijn typerende voorbeeldberoepen in de door het CBS onderscheiden beroepsklassen (die meer algemene benamingen hebben, zoals 'middelbaar (para)medisch algemeen beroep').
Bron: CBS (Statline); Bewerking PdB    

3.2. Verslechtert de relatieve positie?

Het stabiele aandeel van de middenberoepen in de beroepsbevolking zegt nog niets over hun relatieve positie. Het is immers denkbaar dat de positie van middenklassers in termen van baanzekerheid of beloning is verslechterd. Helaas publiceert het CBS maar weinig gegevens over de middelbare beroepen. Over de periode 1996-2006 is alleen bekend hoe deze beroepen zijn verdeeld over vaste en flexibele banen en zelfstandigen. Er wordt nogal eens verondersteld dat de flexibilisering van de arbeidsmarkt de baanzekerheid van de middengroepen aantast. Dit blijkt echter niet uit het aandeel werkenden met een middelbaar beroep dat een vaste aanstelling heeft: dit is tussen 1996 en 2006 zelfs iets toegenomen van 79 naar 80 procent (al bedroeg het in 2003 zelfs 82%). Dit percentage komt vrijwel overeen met dat van de totale werkzame beroepsbevolking. Er zijn dus geen aanwijzingen dat de middelbare beroepen steeds meer flexwerkers of zelfstandigen tellen.

Nu zegt het aandeel vaste banen nog niet zoveel over de baanzekerheid. Zo is het tegenwoordig haast gemeengoed dat ‘de baan voor het leven’ tot het verleden behoort. Het is dan ook denkbaar dat een vaste aanstelling steeds minder zekerheid biedt en gemiddeld van kortere duur is dan in het verleden het geval was. Helaas zijn hierover geen gegevens beschikbaar die specifiek op de middelbare beroepen betrekking hebben. We moeten het doen met cijfers over de baanduur van de gehele werkzame beroepsbevolking. Die cijfers bieden echter allerminst steun voor de (veronder)stelling dat de baanzekerheid afneemt. Tussen 1992 en 2006 is de gemiddelde baanduur (dat is het aantal jaren dat een werknemer bij dezelfde werkgever in dienst is) zelfs toegenomen van 9 naar 10 jaar. Het percentage van de werkenden dat minder dan vijf jaar bij hetzelfde bedrijf werkt daalde in deze periode van 46 naar 40 procent. Hoewel er geen cijfers zijn over de baanduur van de middelbare beroepen, hebben we voor de periode vanaf 2000 wel cijfers over de baanduur van middelbaar opgeleiden: die blijkt exact gelijk te zijn aan die van de totale werkzame bevolking.

Een andere indicator voor toenemende werkonzekerheid is het werkloosheidspercentage. Opnieuw zijn er geen cijfers naar beroepsgroep – simpelweg omdat werklozen volgens de definitie van het CBS geen beroep (meer) hebben – maar wel naar opleidingsniveau. Figuur 2 vergelijkt het werkloosheidspercentage (gedefinieerd als de werkloze beroepsbevolking in procenten van de totale beroepsbevolking) van middelbaar opgeleiden (personen met een hoogst behaalde opleiding op havo-, vwo- of mbo-niveau) met dat van laag en hoog opgeleiden en met het totale werkloosheidspercentage. Over de gehele periode sinds 1975 schommelt de werkloosheid van middelbaar opgeleiden rond de vijf procent. Van een trendmatige toename van het werkloosheidsrisico is over deze periode geen sprake, van een duidelijke afname overigens evenmin. Hoewel het werkloosheidsrisico van middelbaar opgeleiden steeds tussen dat van laag en hoog opgeleiden in lag, is sinds het midden van de jaren tachtig het verschil met laag opgeleiden kleiner geworden. Dit komt echter vooral doordat het werkloosheidspercentage onder laag opgeleiden – anders dan vaak wordt aangenomen – sterk verminderd is.

Figuur 2

Samenvattend concludeer ik dat, ondanks de veelvuldige geluiden dat de baanzekerheid afneemt en de middengroepen met steeds meer onzekerheid worden geconfronteerd, de beschikbare cijfers hiervoor geen aanwijzingen bieden.

Hoe zit het met een tweede belangrijke aspect van het werk: de beloning? Helaas hebben we ook hierover nauwelijks specifieke gegevens voor de werkenden in een middelbaar beroep. Het CBS heeft alleen voor het jaar 2002 cijfers gepubliceerd over de beloning naar beroepsniveau. Daaruit blijkt dat werkenden in een middelbaar beroep in 2002 gemiddeld de helft meer verdienden dan werkenden in een elementair beroep, ruim een kwart meer dan werkenden in een lager beroep, een kwart minder dan werkenden in een hoger beroep en 40 procent minder dan werkenden in een wetenschappelijk beroep. De middelbare beroepen bevonden zich dus ook in het midden van de loonverdeling.

Figuur 3

Willen we de ontwikkeling in de tijd volgen, dan moeten we het doen met gegevens over het gemiddelde loon naar opleidingsniveau. Ook die gegevens zijn trouwens verre van compleet, doordat (nog) geen informatie beschikbaar is voor de jaren 1994-1997 en 2003-2007. Figuur 3 toont de ontwikkeling van het gemiddelde reële bruto uurloon van middelbaar opgeleide werknemers en van alle werknemers tezamen in de periode 1969-2002. De cijfers zijn ontleend aan de CBS publicaties Tijdreeks arbeidsrekeningen 1969-1993, de Sociaal-Economische Maandstatistiek 2002 nr 12 en Sociaal Economische Trends 2005 nr 2. Over een periode van 33 jaar is het reële loon van middelbaar opgeleiden met 41 procent gestegen, dat wil zeggen met gemiddeld één procent per jaar. Die stijging is echter volledig gerealiseerd in het eerste decennium van deze periode (1969-1979). Gedurende de diepe recessie van de eerste helft van de jaren tachtig daalde het reële loon scherp, om daarna lange tijd stabiel te blijven en pas recent weer fors te stijgen. Het gemiddelde loon van alle werknemers maakte globaal dezelfde ontwikkeling door, maar viel begin jaren tachtig minder sterk terug en herstelde zich daarna aanzienlijk krachtiger. Daardoor is het loon van middelbaar opgeleiden beduidend achtergebleven bij de gemiddelde loonontwikkeling. Terwijl het loon van middelbaar opgeleiden rond 1970 nog 17 procent boven het gemiddelde loon lag, lag het er in 2002 7 procent onder. Hierbij dient men wel te bedenken dat in deze periode het aandeel laag opgeleide werknemers is gekrompen en het aandeel hoog opgeleide werknemers is gegroeid, zodat de stijging van het gemiddelde loon deels wordt verklaard door de stijging van het gemiddelde opleidingsniveau van de werkzame bevolking.

Figuur 4

Vergelijkt men de ontwikkeling van het uurloon van andere opleiding-sniveaus met die van de middelbaar opgeleiden (figuur 4), dan blijken de laag opgeleiden in de periode 1969-1993 flink terrein te hebben gewonnen. Tussen 1998 en 2002 moesten zij echter weer wat terrein prijsgeven ten opzichte van de middelbaar opgeleiden. De beloningsachterstand van middelbaar ten opzichte van hoog opgeleiden is de afgelopen decennia nauwelijks veranderd.

Bovenstaande cijfers beperken zich tot het gemiddelde loon van bepaalde groepen. Er wordt echter wel eens gesuggereerd dat de opvallendste veranderingen zich voordoen in de loonspreiding. Soms wordt gesteld dat er steeds meer sprake is van een polarisatie van de lonen, waardoor het midden geleidelijk wordt uitgehold (Harrison & Bluestone 1988).

Figuur 5a Figuur 5b Figuur 5c

Figuur 5 schetst de verdeling van het loon van voltijd werknemers (dat zijn werknemers die het standaard aantal uren werken) in een aantal jaren sinds 1972. De gegevens tot 1994 zijn ontleend aan de jaarlijkse Statistische zakboeken en Statistische jaarboeken van het CBS. De gegevens beperken zich tot voltijd werknemers om te voorkomen dat de groei van het aantal deeltijders – die, bij een zelfde uurloon, per week of per jaar minder verdienen – het beeld vertekent. Bovendien valt er wat voor te zeggen om bij de hier gehanteerde definitie alleen kostwinners – die doorgaans fulltime werken – tot de middenklasse te rekenen. De loonverdeling in verschillende jaren is in figuur 5 zo weergegeven dat het mediane loon – dat wil zeggen het middelste loon, waar 50 procent onder en 50 procent boven ligt – steeds gelijk aan 100 is gesteld. De figuren tonen dus de spreiding rond de mediaan. Figuur 5a laat zien dat tussen 1972 en 1984 de spreiding van de lonen kleiner werd doordat het aandeel lage lonen sterk verminderde en het aandeel rond en vlak onder de mediaan fors groeide. Afgemeten aan de loonverhoudingen groeide de middenklasse in deze periode dus sterk. Tussen 1984 en 1994 nam de loonspreiding echter weer toe. Zowel het aandeel lagere lonen als het aandeel hogere lonen groeide, ten koste van het aandeel werknemers met een loon rond de mediaan. In de periode 1995-2005 lijkt deze tendens zich te hebben voortgezet, zij het in minder sterke mate. Door een verandering in meet- en registratiemethoden zijn de cijfers tot 1994 en vanaf 1995 niet met elkaar te vergelijken. De laatste twintig jaar was er dus sprake van een toename van de beloningsverschillen. Hoewel het midden van de loonverdeling hierdoor meer uitgerekt is, blijft er een duidelijke concentratie van werknemers rond het mediane loon. Er is dus geen sprake van dat de middengroep geleidelijk zou verdwijnen doordat de lonen zich steeds meer concentreren aan de onderkant en de bovenkant van de loonverdeling (een bi-modale verdeling).

4. De middenklasse als inkomensgroep

Zoals eerder aangegeven definieer ik de middenklasse als inkomensgroep als de middelste vijftig procent van de inkomensverdeling, oftewel het tweede en derde kwartiel. Als inkomenseenheid neem ik hierbij het besteedbare huishoudensinkomen. Het voordeel van deze definitie is dat er cijfers beschikbaar zijn vanaf 1946, dus over een periode van liefst zestig jaar. Wel hebben de cijfers vóór 1990 alleen betrekking op het inkomen van alleenstaanden en echtparen, zodat andere inkomenstrekkers binnen het huishouden (zoals kinderen of ongehuwde partners) buiten beschouwing blijven. Daardoor zijn de cijfers vóór en vanaf 1990 niet geheel vergelijkbaar.

Figuur 6

Figuur 6 schetst de ontwikkeling van het reële besteedbare inkomen van de drie onderscheiden inkomensgroepen, waarbij het inkomen in het jaar 1946 op 100 is gesteld. We kunnen drie perioden onderscheiden. Tot 1965 gingen de inkomens van de verschillende groepen min of meer gelijk op en bleef de inkomensongelijkheid ruwweg gelijk. Tussen 1965 en 1978 stegen de lagere inkomens explosief. De middeninkomens bleven daar duidelijk bij achter, maar stegen in deze periode niettemin met ruim de helft. De hogere inkomens bleven nog meer achter doordat zij ‘slechts’ met zo’n twintig procent stegen. De inkomensverschillen werden in deze periode dus aanzienlijk kleiner. In de laatste periode, 1978-2005, bleef het reële inkomen van de verschillende inkomensgroepen per saldo vrijwel gelijk. Tussen 1978 en 1984, ten tijde van de diepe economische recessie die de Nederlandse economie doormaakte, daalden de inkomens fors. Daarna herstelden ze zich heel langzaam, met een versnelling aan het eind van de jaren negentig. Tussen 1984 en 2005 steeg het reële inkomen van zowel de middeninkomens als de hogere inkomens met 16 à 17 procent. De lagere inkomens bleven daar met een inkomensstijging van 8 procent, ruim bij achter. Zo bezien is de relatieve inkomenspositie van de middenklasse de afgelopen twintig jaar verbeterd. Niettemin zou het feit dat het reële inkomen van de middengroepen sinds 1978 (!) per saldo niet meer is gestegen, het heel begrijpelijk maken als er onder de middengroepen de nodige ontevredenheid bestaat over hun inkomensontwikkeling.

Hoewel de reële inkomensontwikkeling van de middengroepen door veel meer factoren wordt bepaald dan de loonstijging – denk aan de ontwikkeling van uitkeringsniveaus, belastingen, aantal tweeverdieners, et cetera – laat vergelijking van de figuren 3 en 6 zien dat de ontwikkeling van de inkomens die van de lonen vrij nauw volgt. Dit duidt erop dat de stagnatie van de middeninkomens primair wordt verklaard door de reële loonmatiging in de afgelopen dertig jaar. We zouden dit kunnen zien als de keerzijde van de succesvolle Nederlandse banenmachine.

Bij deze cijfers dient men te bedenken dat ze niet de inkomensontwikkeling van individuele huishoudens weergeven, maar slechts het gemiddelde van een omvangrijke categorie van huishoudens. Individuele huishoudens bewegen zich doorgaans in de loop van de tijd door de inkomensverdeling heen. Sommigen gaan over van de lagere naar de midden inkomensgroepen of van de midden naar de hogere inkomens, al komen neerwaartse bewegingen natuurlijk ook voor, bijvoorbeeld wanneer de kostwinner in een huishouden werkloos of arbeidsongeschikt wordt of met pensioen gaat.

Voor de periode 2001-2004 heeft het CBS cijfers gepubliceerd over deze inkomensdynamiek van individuele huishoudens (Sociaal-economische trends 2006 (2) 28-33). Omdat het CBS hierin alleen tien-procents-groepen (decielen) onderscheidt, definieer ik de middenklasse hier, in afwijking van het voorgaande, als de middelste 60 procent van de inkomensverdeling (oftewel het derde tot en met achtste deciel). Bovendien hebben deze cijfers betrekking op het gestandaardiseerde besteedbare inkomen, dat wil zeggen gecorrigeerd voor verschillen in huishoudens-samenstelling. Dit betekent dat men ook kan stijgen of dalen doordat de huishoudsamenstelling verandert -huwelijk, scheiding, geboorte van een kind, een kind verlaat het huis, etc.- zonder dat het huishoudinkomen verandert. 78 procent van de huishoudens die in 2001 tot de middeninkomensgroepen behoorden, maakte daar in 2004 nog steeds deel van uit (tabel 2). Elf procent was afgedaald naar de lagere inkomensgroepen en een zelfde percentage was gestegen naar de hogere inkomensgroepen. Het aandeel middenklassers dat terugvalt naar de lagere klasse is dus relatief klein. Maar het is natuurlijk ook mogelijk dat men binnen de middenklasse terrein prijs moet geven. Van de 78 procent die in beide jaren tot de middenklasse behoorde, ging 21 procent minimaal een deciel achteruit en 30 procent minimaal een deciel vooruit. 27 procent (d.w.z. 35% van de ‘blijvende’ middenklassers) bleef in hetzelfde deciel. Een achteruitgang in deciel hoeft nog niet te betekenen dat men daadwerkelijk in inkomen achteruitgaat. Het gaat hier immers om een verandering in de rangorde van inkomens. Het betekent wel dat anderen een gunstiger inkomensontwikkeling doormaakten. Ik concludeer dat, hoewel er onder de middenklassers nogal wat inkomensmobiliteit is, bijna vier op de vijf middenklasse huishoudens vier jaar later nog steeds tot de middenklasse behoren. Slechts een op de negen valt uit de middenklasse terug naar de lagere inkomensklasse en daarnaast gaat een op de vijf minstens een deciel achteruit, maar blijft wel deel uitmaken van de middeninkomensgroepen.

Ook al is de kans op neerwaartse mobiliteit voor de leden van de middenklasse niet al te groot, het is denkbaar dat deze kans in de loop van de tijd groter wordt, en de kans om hogerop te komen navenant kleiner. Om na te gaan of dit het geval is vergelijk ik de inkomensmobiliteit in de periode 2001-2004 met die in de periode 1995-2000, waarover het CBS eerder cijfers publiceerde (Sociaal-economische maandstatistiek 2002 (6): 14-18). Doordat deze eerdere periode een jaar meer omvat dan de meer recente periode, zijn de cijfers helaas niet geheel vergelijkbaar. Tussen 1995 en 2000 zakte 13 procent van de middenklassers terug naar de lagere klasse, terwijl 12 procent zich omhoog wist te werken naar de hogere klasse. Beide cijfers zijn hoger dan in de periode 2001-2004, maar lijken geheel verklaarbaar uit het feit dat deze periode een jaar langer is. Het lijkt er dus op dat zowel het risico van middenklassers om terug te vallen naar de lagere inkomensklassen als de kans om door te dringen tot de hogere klassen in de afgelopen tien jaar niet is veranderd. Voor degenen die tot de middenklasse bleven behoren was de kans op neerwaartse mobiliteit in de meer recente periode wat kleiner en de kans op opwaartse mobiliteit wat groter dan in de periode 1995-2000. Deze cijfers bieden dus geen steun voor de stelling dat middenklassers steeds meer risico lopen op neerwaartse mobiliteit.

Tabel 2: Inkomensmobiliteit van de middenklasse (in procenten)
Gedefinieerd als het 3e t/m 8e deciel van de verdeling van gestandaardiseerde besteedbare huishoudinkomens.
 

neerwaarts

stabiel

opwaarts

totaal

  naar lagere klasse binnen midden-klasse   binnen midden-klasse naar hogere klasse  
2001-2004 11 21 27 30 11 100
1995-2000 13 26 22 27 12 100
 
Bron: CBS Sociaal-economische maandstatistiek 2002, staat 6 en Sociaal-economische trends 2006, staat 6

Tot slot ga ik nog na in welke mate de middenklasse profiteert van publieke voorzieningen. Periodiek schat het SCP dit z.g. ‘profijt van de overheid’. De meest recente cijfers hebben betrekking op het jaar 2003 (Kuhry & Pommer 2006). Deze hebben betrekking op aan individuele huishoudens toerekenbare uitgaven en voorzieningen op het gebied van volkshuisvesting, onderwijs, openbaar vervoer, cultuur en recreatie, maatschappelijke dienstverlening, zorgverzekering en bestaanskosten. Van de totale uitgaven komt 52 procent ten goede aan de middenklasse, gedefinieerd als de middelste 60 procent (het derde tot en met achtste deciel). De middengroepen profiteren daarmee verhoudingsgewijs minder van overheidsvoorzieningen dan de laagste inkomens (25% profijt voor 20% van de huishoudens) en de hoogste inkomens (23% profijt voor 20% van de huishoudens). De middengroepen komen er vooral bekaaid af bij het onderwijs en, in wat mindere mate, bij volkshuisvesting en openbaar vervoer. Hierbij dient men zich wel te realiseren dat het SCP het profijt van studenten van 18 jaar en ouder, ook als zij nog thuis wonen, volledig aan de studenten zelf toerekent en niet aan de ouders. Zou men het laatste doen, dan stijgt het totale profijt van de middengroepen naar 57 procent, waardoor zij verhoudingsgewijs meer profiteren dan de laagste inkomensgroepen (waartoe veel studerenden behoren), maar nog wel minder dan de hoogste inkomens. Opmerkelijk genoeg trekt het middelste, vijfde deciel, het minste profijt trekt van publieke voorzieningen.

Bij deze cijfers moet wel worden opgemerkt dat de verdeling van het profijt wordt gerelateerd aan het besteedbare inkomen van huishoudens, dat wil zeggen het inkomen na aftrek van belastingen en sociale premies. Met het effect van deze heffingen op de verdeling van het inkomen wordt dus geen rekening gehouden.

Het SCP heeft het profijt in 2003 ook vergeleken met dat in 1991 en 1999 (Kuhry & Pommer 2006: 116). Figuur 7 laat zien dat het profijt van de onderste helft van de middenklasse, het derde, vierde en vijfde deciel, tussen 1991 en 2003 weinig is veranderd, terwijl het profijt van de bovenste helft van de middenklasse, het zesde, zevende en achtste deciel, beduidend is verminderd. Vooral de hogere middenklasse heeft dus enige grond om te klagen dat men steeds minder proifteert van door de overheid gefinancierde voorzieningen.

Figuur 7

5. Conclusie

Staat de middenklasse onder druk?

De cijfers die ik in deze bijdrage heb gepresenteerd laten zien dat er geen sprake van is dat de middenklasse geleidelijk zou verdwijnen, noch als we de middenklasse definiëren in termen van beroepsgroep, noch in termen van inkomensklasse. Zowel de middelbare beroepen als de middeninkomensklassen vormen een opmerkelijk stabiel segment van de bevolking. Dat betekent evenwel niet dat de positie van de middenklasse niet in bepaalde opzichten onder druk kan staan. Zowel als het om baanzekerheid als om werkzekerheid gaat, lijkt er, ondanks regelmatig geuite zorgen, weinig aan de hand. Het aandeel vaste banen is stabiel, de gemiddelde baanduur neemt eerder toe dan af en het werkloosheidsrisico van middelbaar opgeleiden is op langere termijn nauwelijks veranderd. Wel worden de middelbaar opgeleiden al een kwart eeuw geconfronteerd met een stagnerende reële (uur)loonontwikkeling. Hoewel de lonen recent weer lijken aan te trekken, was het gemiddelde reële uurloon van een middelbaar opgeleide in 2002 nog iets lager dan in 1979, terwijl het gemiddelde uurloon van alle werknemers tezamen in die periode met elf procent is gestegen. Vooral de beloningsvoorsprong van middelbaar opgeleiden ten opzichte van lager opgeleiden is geslonken. Sinds het midden van de jaren tachtig neemt bovendien de loonongelijkheid toe, waardoor binnen de middengroepen de spreiding van lonen groter wordt.

Ook de middeninkomensklasse (op basis van het besteedbare huishoudens-inkomen) is in een kwart eeuw tijd in reële termen niet vooruitgegaan. Wel is de relatieve inkomenspositie van de middeninkomens ten opzichte van de lagere inkomens de afgelopen twee decennia iets verbeterd. Het reële inkomen van de middenklasse als geheel mag dan stagneren, sommige individuele huishoudens slagen er wel in hun relatieve positie te verbeteren. Een op de negen middeninkomenshuishoudens wist in de periode 2001-2004 door te dringen tot de hoogste twee inkomensdecielen. De kans om terug te vallen naar de twee onderste decielen is echter even groot. Vergeleken met de periode 1995-2000 is daarin weinig veranderd. Er zijn dus noch aanwijzingen dat de opwaartse mobiliteit toeneemt, noch dat de neerwaartse inkomensmobiliteit toeneemt. Tot slot bleek dat de middeninkomens minder dan evenredig profiteren van overheidsvoorzieningen en dat hun profijt – vooral van de hogere middengroepen – in de loop van de tijd bovendien is afgenomen. Kortom, de middenklasse mag dan een zeer stabiel segment van de samenleving zijn en de angst voor het verdwijnen van de middenklasse vooralsnog ongegrond, dat neemt niet weg dat de inkomenspositie van de middenklasse de afgelopen decennia wel onder druk stond.

Paul de Beer werkt maandag en dinsdag bij De Burcht, centrum voor arbeidsverhoudingen. Van woensdag tot vrijdag zit hij op de Henri Polak leerstoel voor arbeidsverhoudingen aan het Instituut voor Arbeidsstudies (AIAS) van de Universiteit van Amsterdam.

Literatuur

Asselberghs, K., R. Batenburg, F. Huijgen & M. De Witte (1998). De kwalitatieve structuur van de werkgelegenheid in Nederland, deel IV. Bevolking in loondienst naar functieniveau: ontwikkelingen in de periode 1985-1995, OSA-voorstudie V44. Den Haag: Organisatie voor Strategisch Arbeidsmarktonderzoek.

Autor, David H., Lawrence F. Katz, & Melissa S. Kearny (2006) The Polarization of the U.S. Labor Market. NBER Working Paper 11986 Cambridge (Mass.): National Bureau of Economic Research.

Beck, Ulrich (1999) Schöne neue Arbeitswelt, Frankfurt/New York: Campus Verlag.

Friedman, Thomas L. (2005) The World is Flat. A brief history of the twenty-first century, New York: Farrar, Straus & Giroux.

Harrison, Bennett & Barry Bluestone (1988) The Great U-Turn: Corporate Restructuring and the Polarizing of America, New York: Basic Books.

Harrison, Bennett & Barry Bluestone (1990) Wage polarisation in the US and the ‘flexibility debate’, Cambridge Journal of Economics 14(3): 351-373.

Huijgen, F. (1989) Opleiding van werknemers en het niveau van hun werk. De kwalitatieve structuur van de werkgelegenheid 1960-1985. In: I. Gadourek & J.L. Peschar (red.). De open samenleving. Sociale veranderingen op het terrein van geloof, huwelijk, onderwijs en arbeid in Nederland, Boekaflevering Mens en Maatschappij 64: 79-106.

Jacobs, Bas (2004) The lost race between schooling and technology. De Economist 152, 1: 47-78.

Kuhry, Bob & Evert Pommer, m.m.v. Jedid-Jah Jonker en John Stevens (2006) Publieke productie en persoonlijk profijt. De productie van publieke diensten en profijt van de overheid, 1990-2003. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Sennett, Richard (2006) The Culture of the New Capitalism, New Haven/London: Yale University Press.

Tinbergen, Jan (1975) Income Distribution: Analysis and Policies, Amsterdam/Oxford: North-Holland Publishing Company.

Wöltgens, Thijs (2008) Links moet zich weer met veel meer nadruk richten op het vraagstuk van de verdeling, NRC Handelsblad (Opinie & Debat), 12 & 13 april 2008. Wright, Erik Olin (1985) Classes, London/New York: Verso.

Wright, Erik Olin et al. (1989) The Debate on Classes, London/New York: Verso.

vrijdag 6 maart 2009

Gisteravond na afloop van de 'meet en greet' met lijsttrekker Thijs Berman, stond onder de gewelven van Amsterdam Arena een lange rij bij de parkeer garage.

De technologische vernieuwing van de komende eeuw werd besproken aan de hand van een kapotte betaal automaat. Het publiek zwermde huiswaarts uit naar vele afgelegen streken van Nederland.

Aan de koffietafel van tussengelegen benzinestations was tot diep in de nacht discussie over schoolprestaties op het VMBO van gescheiden kinderen en werden visitekaartjes overhandigd aan geïnteresseerde burgers uit Gelderland en Overijssel en Drenthe. In gedachten zijn pensioenen en de breedbeeld televisies van ouderen in geïsoleerde plattelandsgebieden.

Actieve burgers legden vervolgens hun hoofd te ruste, in de wetenschap dat duurzaam orde zal worden gebracht tot in Afrika toe.

Het belooft een spannende verkiezingstijd te worden met nummer 14:

Bert Kerkhof Kandidaat ánder europa 4 juni

woensdag 11 februari 2009

Snel af en goedkoop populisme

Het bestuur bracht een concept-resolutie uit over integratie, ' Verdeeld verleden, gedeelde toekomst'. Op een congres dat op 14 maart gehouden wordt, zullen amendementen in stemming worden gebracht.

Integratie gaat over cohesie in de samenleving. In hoeverre werken bevolkingsgroepen en culturele stromingen samen om een sociale en sterke maatschappij te vormen. De makers van de concept resolutie hebben vooral de problematiek van buitenlanders voor ogen gehad. De stelling van het bestuur is om het samen te vatten dat Nederland een land dient te zijn waar de bruggen tussen autochtonen en allochtonen geslagen zíjn. Terecht is er veel kritiek op de wollige woorden van het bestuur.

Geloof

In de bijdrage van Frank de Vries (lijsttrekker te Groningen en wethouder ruimtelijke ordening, volkshuisvesting en wijkvernieuwing) aan het debat in het dagblad Trouw van 26 jan 2009: Pvda moet snel af van goedkoop populisme wordt aandacht gevraagd voor het geloof. Altijd was er een sterk vooruitgangsdenken. Niet alleen geïnspireerd door het christendom dat zijn wortels heeft in het midden-oosten. In tijden van grote armoede in de 19e en begin 20e eeuw was er een sterk europees geloof in de kracht van samenwerking tussen arbeiders en in de maakbaarheid door een sterke overheid. Vanuit Europa verbreidde dit zich over de hele wereld. De sociaal-democratie positioneerde zich ten opzichte van dit geloof door compromis en overleg te zoeken met commerciële organisaties die maximalisatie van eigen materiële welvaart nastreven. Maar het geestelijk aspect, verbondenheid tussen mensen en vergroten van welzijn stond voorop.

Rekenschap

Aan het einde van de vorige eeuw is de sociaal-democratische beweging stilaan verworden tot een belangen organisatie voor materiële welvaart. De belangrijkste jaarlijkse overleggen zoals het voorjaars overleg, leken slechts te gaan om een procentje meer of minder in het loonzakje. Door onderlinge pressies tussen werknemers bleven vacatures onvervuld zoals fabriekswerk en hulp bij het oogsten. Wat betreft liefhebben van je naasten, nieuwe samenlevingsvormen zoals alleenstaand ouderschap, de tweeverdiener- en scheidings-cultuur en de feminisering van het onderwijs is in sociaal democratische zogenoemde meiden-groepen veel ondernomen, maar werd weinig rekenschap gegeven van de consequenties die dit heeft voor het opvoeden van kinderen. Noem het geen religie, maar een diepzinniger denken en debat is juist bij de Pvda op zijn plaats.

Schaduw

Er zijn gegevens over de huidige toestand van de maatschappij. Er is de bestaande publieke opinie over allochtonen. Opinie peilingen van vorige week werpen een schaduw vooruit op de uitkomsten van het integatie debat op het congres in maart. Uit de peilingen blijkt een sterke opkomst van de partij van Geert Wilders. Ook zijn er toekomstdromen. Dit speelt allemaal mee bij het vormgeven van het publieke debat.

Goedkoop populisme kan inhouden dat:

  1. gediscussieerd wordt zonder gegevens over de huidige toestand...
  2. geen rekening wordt gehouden met de bestaande publieke opinie...
  3. geen toekomstdromen gemaakt worden of bekend zijn...
  4. het debat binnenskamers blijft en onvoldoende in de maatschappij wordt gevoerd...

Gegevens

Van een Wilders-aanhanger werden enkele gegevens ontvangen. Ze zijn cursief hieronder weergegeven. Niet altijd stemmen deze gegevens met de werkelijkheid overeen. Verwijzingen naar bronnen van het Centraal Bureeau voor de Statistiek zijn in blauw:

Immigratie

"Per jaar heten we gemiddeld 50.000 allochtonen welkom. Voor autochtonen ligt dit getal beduidend lager: Slechts 5000 per jaar." Deze getallen kloppen niet. Het migratiesaldo in 2007 van niet-westerse allochtonen was 11.664 personen. Het migratiesaldo in dat jaar voor de Europese Unie was 25.252. Daarbij komt het migratiesaldo voor westerse personen, 28.906. Dit betekent aanzienlijk meer verkeer van mensen uit westerse en europese landen, dan van niet-westerse allochtonen.

"Ieder jaar komen er gemiddeld 35.000 mensen bij met een dubbele nationaliteit." Daar is niets mis mee. Het vergroot burgerlijke vrijheden zoals op vakantie gaan en elders kunnen werken. dat hoort bij een moderne samenleving. Een nadeel van dubbele nationaliteit is de dienstplicht voor Turken. Het aantal Turken met dubbele nationaliteit neemt volgens de gegevens niet of nauwelijks toe. Dubbele nationaliteit? Wen er maar aan.

Demografie

"In 18% van de wijken in Nederland is 15 tot 50% van de bevolking niet-westers. En in 3% van de wijken ligt het percentage op 50 tot 100%." Hoeveel wijken er in Nederland zijn is moeilijk te tellen. In 42 wijken die zijn aangewezen als 'krachtwijk', wonen gemiddeld 48 procent niet-westers allochtonen. Daar weer de helft van is Turk of Marokkaan.

Criminaliteit

"Gemiddeld worden slechts 28% van de delicten aangegeven bij de politie."

"Er zijn 4 geweldsdelicten per 1000 autochtonen."

"Marokkaanse jongeren komen gemiddeld 2x zo vaak in aanmerking voor Bureau Halt dan autochtone jongeren."

"Bijna 7% van de marokkanen wordt op hun 15e voor het eerst als dader geregistreerd. Bij autochonen is dit 2% op hun 17e."

"Marokkanen krijgen gemiddeld 9x een proces-verbaal binnen 10 jaar na hun eerste delict. Bij autochtonen is dit beduidend lager. Gemiddeld 3,6 binnen 10 jaar."

"10,3% van de Marokkanen staat geregistreerd als verdachte. Dat betekent dat op dit moment meer dan 34.000 verdachte Marrokanen zijn in Nederland."

"Er zijn 32 geweldsdelicten per 1000 Antillianen. Dit is 8x zo vaak."

"Als we kijken naar alleen mannelijke delictplegers, ontstaat een ander beeld: Onder de Marokkanen worden 600 delicten gepleegd per 1000 Marokkaanse mannen."

Religie

"Moskeeën. Sinds 1955 heeft Nederlander meer dan 500 bijgekregen."

Onderwijs

"Basisonderwijs Den Haag: gemiddeld 75% is niet-westers. Voortgezet onderwijs Amsterdam: gemiddeld 68% niet-westers." Het is duidelijk dat in de grote steden meer allochtone kinderen naar school gaan.

Mijn insteek voor het integratiedebat is de situatie van achtergestelde kinderen. Lees alvast de analyse voor het achterstandenbeleid. Mijn artikel hierover staat nummer 1 in zoekmachine 'onderzoek kinderen nederland'. Het achterstandenbeleid heeft net als het emancipatiebeleid parallellen met integratie: Armoede met vaderloze kinderen in Nederland.

Opinie van vorige week:

Politieke peiling in Nederland, AD 15 feb 2009 Dank aan AD voor bijpassende kleuren

Discussie en debat

Nederlanders en westerse allochtonen hebben een geringe bereidheid een groter gezin of überhaupt kinderen te krijgen. De laatste decennia is de opvoedingssituatie voor kinderen minder optimaal geworden. Niet voor niets werkt dat niet gunstig op de kinderwens. Dit is een reden voor zorg en nader onderzoek. Het is nodig hier dieper op in te gaan en te bespreken wat nodig is te doen in verband met het Pvda congres in Central Studios aan de Oudegracht in Utrecht. Op zaterdag 14 maart is de integratie notitie aan de beurt en op zondag de europese verkiezing. Lees meer over aanmelden en reserveren op de Congres 2009 pagina.

Bekijk ook eens:

dinsdag 27 januari 2009

Vogels woedend over winst huismus bij telling

Het is hem toch weer gelukt, die dekselse huismus, hij is weer de aanvoerder van de top 10 van tuinvogels geworden. Na het bekend worden van de uitslag regende het op de site van Vogelbescherming Nederland woedende mails van andere vogels. "De huismus heeft de kluit zitte te belazeren", mailde heggemus465@zigo.nl. "Ik ken ze, de klootzakke. Wat ze doen? Ze laten zich zien, dan gaan ze effe ergens anders heen en dan komen ze weer trug. Zo worden ze dus niet éen keer maar wel tien tot twintig keer getelt. Ik kan roepen wat ik wil, altijt weer staat zo'n stomme huismus op éen."

Geiledoffer@hotmail.com ging nog een stap verder: "De huismus moet voor de rechter worden gesleept. Hij is geen knip voor zijn neus waard. Het is diep- en dieptriest. Het is een schande!" Vogelbescherming Nederland is geschrokken van de stroom aan verwensingen. Een woordvoerder opperde zelfs de mogelijkheid om volgend jaar af te zien van de Nationale Tuinvogel telling. "Het is namelijk nog maar de vraag", stelde hij bezorgd vast, "of de andere vogels, na de triomf van de huismus in staat zijn dit jaar nageslacht te produceren. Ze hebben ook wel een beetje gelijk, de huismussen slagen er elk jaar beter in zich te organiseren. Dagen voorde Tuinvogel telling zagen we in tuinen huismussen oefenen in het zo vaak mogelijk geteld worden."

Vanmiddag komt de top van de Vogelbescherming in spoedzitting bijeen om zich te beraden op de ontstane situatie. De huismus zelf hipt vrolijk door en het enige wat hij na veel aandringen kwijt wilde was: "Tjielp, tjielp, tjielp".

Vincent Bijlo in samenwerking met Wouter Bos

zaterdag 24 januari 2009

Tom Cruise in film over Europese geschiedenis

In 2001 besprak ik in het Amsterdamse hoofdkwartier van Scientology aan de Nieuwezijds Voorburgwal 118 de deelname van Tom Cruise in een film over de geschiedenis van Europa. Plaatsen voor twee Nederlandse actrices waren mogelijk ten behoeve van de publiciteit in Nederland. Afgelopen donderdag ging Valkyrie in premiere in Pathé Tuschinkski. De film is geregisseerd door Bryan Singer en vertelt het verhaal van legerofficier kolonel Claus Schenk von Stauffenberg, die in 1943 samenzweert tegen Hitler. De groep beraamt een moord op de dictator om zijn nazi-regering omver te werpen. Van Houten speelt Nina, de vrouw van Von Stauffenberg, en is te zien in zes scènes. Halinda is secretaresse Margarethe von Oven. De actrices hoefden geen auditie te doen. Tom Cruise liep bij de première in Tuschinski over de rode loper maar was zelf niet bij de filmvertoning aanwezig. Ook de afterparty liet hij aan zich voorbij gaan.

Trailer van Valkyrie

 

Vrijdagavond gekeken naar de Wereld draait door. De tekening met potvissen die Fokke en Sukke maakten voorafgaande aan een bedscène in een vliegtuig met twee vrouwen is terecht. Carice vertelt dat men in Amerika weinig risico's neemt. Dat klopt niet. Halina wil heel graag spelen in een volgende film, bijvoorbeeld in Nepal of omgeving. Denk ook aan Bhutan. De Nederlander die aan de oorsprong van Valkyrie stond is volop bezig. Jan Mulder sprak van charisma. De Vara heeft het nog niet helemaal begrepen, want de emblemen die op gevels werden geplakt waren van Albert Heijn, overigens een eerste klas supermarkt. Je weet maar nooit wie de nieuwe sponsor wordt, in elk geval lijkt de Vara het initiatief te steunen.

'Aankondiging' bij de Vara

 

Net onder de douche vandaan, dacht ik aan een gesprek samen met Hedy d'Ancona (voormalig minister van Emancipatie), rond eind 2001. Toen werd de aankondiging van Valkyrie bij de Vara beloofd.

Op Youtube is de volgende video nummer één in de categorie aanbevolen muziek in Australië, Canada, Verenigd Koninkrijk, Ierland, India, Nieuw-Zeeland, Israël, Spanje, Frankrijk, Japan, Zuid-Korea, Brazilië, Rusland. De video is nummer twee aanbevolen muziek in Duitsland, Mexico, Italië, Polen, Hong Kong, Taiwan, Tsjechië:

 
Bert Kerkhof

maandag 19 januari 2009

Spreek Israël aan op geweld in Gaza

Het Palestijns-Israëlisch conflict is alleen op te lossen als ook Israël ter verantwoording wordt geroepen.

De Nederlandse regering dient niet alleen Hamas maar ook Israël verantwoordelijk te houden voor de huidige situatie in Gaza. De Israëlische aanval die op 27 december is ingezet, vormt een ernstige schending van het internationaal humanitair recht. Tot gisteren vielen 1300 Palestijnse burgerdoden, waaronder 400 kinderen. Er zijn meer dan 5000 gewonden.

Survivors face catastrophe
De nieuwsvoorziening in Gaza is aangewezen op burgers.

De door Palestijnse militanten op Israël afgevuurde raketten zijn terecht breed veroordeeld, maar de immens disproportionele reactie van Israël wordt door velen, inclusief de Nederlandse regering, kennelijk gerechtvaardigd als een acceptabele daad van zelfverdediging.

De essenties van de akkoorden van Oslo 1993 waren de terugtrekking van het Israëlische leger uit de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever en het recht op zelfbestuur van de Palestijnen door de vorming van de Palestijnse Autoriteit. Een patroon wordt zichtbaar. Immers, terwijl Gaza al die jaren door Israël hermetisch werd afgesloten en de democratisch verkozen Hamas regering sinds 2005 aan internationale sancties is onderworpen, is Israël tot nu toe grotendeels ontsnapt aan serieuze internationale veroordeling.

Het Israëlische leger houdt Gaza en haar bevolking sinds '93 in een wurggreep. De eenzijdige terugtrekking van Israël in 2006 heeft hier niets aan veranderd. Zowel in de praktijk als formeel is Gaza nog steeds door Israël bezet.

De huidige omstandigheden in Gaza zijn rampzalig. Israël heeft volledige controle over lucht-, zee- en landgrenzen. Het leger beantwoordt raketvuur door Hamas routinematig met talloze militaire operaties, inclusief eigen raketten, en verhindert heel vaak de doorgang van essentiële bevoorradingen van voedsel, medicijnen en brandstof. De voor inkomsten belangrijk export van het land, waaronder verse landbouwproducten, wordt vaak langdurig opgehouden.

Het Israëlische leger gebruikt ook regelmatig door de VS geleverde F-16's om laag over Gaza-stad te vliegen. Dit veroorzaakt 'geluidsbombardementen' die ruiten en trommelvliezen doen springen, burgers slaap onthouden en grote angst aanjagen. De Israëlische veiligheidsdienst is meedogenloos in het ondervragen en martelen van de weinige Palestijnen die de Gazastrook mogen verlaten en er weer naar toe terug keren. Recent werd Mohamed Omer, een jonge Palestijnse journalist die naar verluidt Nederlandse diplomatieke bescherming genoot, daarvan het slachtoffer.

Onder internationaal recht heeft Israël het recht op zelfverdediging, mits dit noodzakelijk is én proportioneel wordt uitgevoerd... Van dit laatste is zeker geen sprake.

Wat verklaart het disproportionele excessieve geweld dat Israël nu gebruikt? Het gaat onder andere om het afleiden van de internationale aandacht van een aantal cruciale factoren. Zo wenst Israël geen verklaring te geven voor haar weigering de democratisch gekozen Hamas regering serieus te nemen. vanwege politieke meningsverschillen kwam het label 'terroristische organisatie' Israël goed van pas.

Verder weigert Israël uit te leggen waarom het de bewoners van Gaza al zo langdurig aan hun lot heeft overgelaten en hen aan de rand van de hongersdood heeft gebracht. De verschrikkelijke collectieve bestraffing van Palestijnen wordt al lang scherp veroordeeld door de humanitaire organisaties van de Verenigde Naties die grote moeite hebben hun noodhulp in Gaza te verlenen.

Maar de belangrijkste reden en de grondoorzaak van de permanente crisissituatie is dat Israël geen behoefte heeft om uit te leggen waarom ze de Palestijnse gebieden nog steeds bezet, ondanks bijvoorbeeld VN-Veiligheidsraad resolutie 242 (1967) en het advies van het Internationaal Gerechtshof (2004) die terugtrekking van Israël eisen.

Als bovengenoemde factoren breder onderkend zouden worden, dan zou Israëls reputatie als democratische staat bedreigd worden en de ongelijke behandeling van niet-joden, die inmiddels door vele prominente commentatoren als apartheid is bestempeld, aan het licht komen.

De Nederlandse regering kan haar eenzijdige positie niet volhouden als ze echt geïnteresseerd is in een oplossing voor het huidige conflict én voor de structurele impasse tussen de Palestijnen en Israël. Premier Balkenende en minister Verhagen dienen niet alleen Hamas te veroordelen en met sancties te treffen. Het kabinet dient tevens op de bres te springen voor het internationaal recht en Israël serieus verantwoordelijk te houden voor de onrechtmatige bezetting van Palestijnse Gebieden inclusief de disproportionele aanvallen van de afgelopen weken op de Gazastrook. Gebrek aan veroordeling van al het onzichtbare geweld en het niet ter verantwoording roepen van alle actoren die er voor verantwoordelijk zijn, zal alleen maar tot meer bloedvergieten leiden.

Op een speciale zitting van de VN Mensenrechtenraad in Genève is maandag 12 januari besloten een onderzoeksmissie naar Gaza te zenden om te rapporteren omtrent schendingen van het internationale humanitaire recht en de mensenrechten. Berichtgeving over deze schendingen is tot op heden zeer bemoeilijkt en vormt temeer aanleiding voor een grondig en spoedig VN-rapport. Nederland heeft zich, in gezelschap van EU-partners, van stemming onthouden over het voorstel van de missie. Dat gebeurde om verschillende, niet duidelijk onder woorden gebrachte redenen. Maar ons land zou toch op zijn minst kunnen bepleiten dat de missie ter plaatse wordt toegelaten.

Vandaag

Leiders van de Europese Unie, Turkije en Egypte en VN-chef Ban Ki-moon beraadslagen in de Egyptische badplaats Sharm El Sheikh over de door Nederland samen met Denemarken voorgestelde rol bij van de Europese Unie.

De Franse president Nicolas Sarkozy zal de conferentie leiden. Secretaris-generaal Ban Ki-moon van de Verenigde Naties werd door gastheer president Mubarak van Egypte uitgenodigd. Bondskanselier Angela Merkel en premier Gordon Brown volgen de conferentie op de voet.

Verschillende media melden dat Mahmoud Abbas aanzit aan de vergadertafel van Sharm El Sheikh in de rol van Palestijnse president. Dit terwijl hij de democratische verkiezingen van Palestina 2006 verloor aan Hamas. De vertegenwoordiging van Hamas mag in de badplaats slechts in de buurt zijn. Israël is wél uitgenodigd maar níet aanwezig.

Minister van Buitenlandse zaken Maxime Verhagen verwijst naar de wens van de VN om tot betere supervisie te komen tussen Palestina en Egypte, om te voorkomen dat wapens over de grens worden gesmokkeld. Hij verklaart dat Israël Palestijnse hulpgoederen ongehinderd moet doorlaten. Na de conferentie willen Europese leiders naar de Israëlische premier Ehud Olmert.

Theo van Boven was hoofd Rechten van de Mens van de Verenigde Naties, lid van de commissie die discriminatie tracht te voorkomen, bescherming van minderheden nastreeft en werd speciale rapporteur voor martelingen bij de VN. Thans is hij hoogleraar internationaal recht aan de universiteit in Maastricht. Karin Arts, Heikelien Verrijn Stuart en Bert Kerkhof werkten mee.

Verbetering reactie box bij dagblad Trouw

Aan de webmaster van Trouw.nl

Hierbij een bericht vanuit de box 'Stuur artikel door', dat op de website van Trouw op de pagina van ieder artikel gevonden kan worden.

Het is mogelijk om voorafgaande aan verzending het bericht te plakken in een tekstverwerker, om deze op de harde schijf op te slaan. In dit geval is dat nodig omdat minister Wouter Bos een kopie wenst.

Verzoek is om voortaan berichten tevens te verzenden naar het adres opgegeven bij 'Uw gegevens'. Zodat de afzender een afschrift voor eigen- en verder gebruik verkrijgt.

Bij voorbaat bedankt voor de te nemen moeite,
Bert Kerkhof

donderdag 15 januari 2009

Verkiezingsspot europarlement 2009

 

TV moment van het jaar - het zenuwcentrum van de verkiezingen 2009. Dank voor deze video aan Mark Boddé, Thomas van Luin, Louigi Tostofreddo en de twee gezusters (Milaan), prof. dr. Knüdeldorfer (Stuttgart), Linda de Mol, dr. Pil (voorzitter S.H.I.T.), Matthijs van Nieuwkerk (Amsterdam), Hockeydames in ijswater, Carlo Boszhard, de Watermeloen kopper. Speciale dank aan Luc, Dorien en hun kinderen Janny en Max.

dinsdag 6 januari 2009

Media mogen Gaza niet in, dus lezen we blogs

Kinderen in ziekenhuis Gaza
Journalisten mogen Gaza niet in. Deze foto is met bijzondere middelen gemaakt.

Naarmate de gevechten in- en rond Gaza-stad heviger worden, wordt het steeds moeilijker om informatie te krijgen over het verloop van de gevechten. De Gazastrook, met 1,5 miljoen inwoners, is nog altijd gesloten voor buitenlandse journalisten. Telefoonverbindingen in Gaza zijn meestal uitgeschakeld, nu ook de telefoonmaatschappij Jawwal is geraakt. Een ooggetuige die anoniem wil blijven, meldt via e-mail dat in het centrum van Gaza-stad overal ontploffingen zijn. Net als veel andere inwoners heeft hij de ruiten uit zijn huis gehaald, om niet geraakt te worden door rondvliegende scherven. In de kou zit hij met zijn familie af te wachten. Dit weekeinde is ondermeer een drukke marktplaats dicht bij zijn huis beschoten. Het Israëlische leger heeft Gaza-stad grotendeels omsingeld. Daar bevinden zich de meeste regeringsbureaus van Hamas, maar het is ook een dichtbevolkt gebied. Israël heeft de inwoners van Gaza stad opgeroepen een veilig heenkomen te zoeken. Maar ze kunnen nergens naar toe.

Eén van de manieren om de Israëlische blokkade te omzeilen, is het internet. Normaal gesproken zijn er veel Palestijnen die een weblog bijhouden, ook vanuit de Gaza strook. Maar door de Israëlische blokkade is elektriciteit steeds schaarser geworden. Sinds het begin van het offensief hebben grote delen van Gaza nog maar enkele uren stroom per dag, of zijn helemaal verstoken van elektriciteit. Zodra er even stroom is, zetten de palestijnse bloggers snel hun computer aan om hun berichten op het web te zetten. Sommigen hebben een generator.

Eén van de websites die regelmatig verhalen van Palestijnse bloggers publiceert, is ElectronicIntifada net. Laila el-Haddad is een Palestijnse freelancejournalist, die afwisselend woont in de Gazastrook en in Durham (USA). Lees Laila el-Hadad blogger. Israëlers laten op weblogs ook veel van zich horen, maar het is moeilijker om Israëlische bloggers te vinden die leven onder bedreigingen van Palestijnse raketaanvallen en daarover schrijven. Palestijnse én Isreëlische bloggers zijn te vinden op GlobalVoicesOnline org.

Met dank aan Guus Valk van NRC voor de feitelijke informatie.

NOS nieuws van 20uur, 10 jan 2009

Lees ook:

woensdag 13 april 2005

Het echtelijk geweld

Het thema van het echtelijk geweld aansnijden is uitermate delicaat, want dat roept krachtige reacties op, reacties die ons dikwijls beletten de ware realiteit te zien. Die reacties worden sterk beïnvloed door het vooroordeel “de man is gewelddadig, de vrouw is het slachtoffer” en door het sociaal ondenkbare “de man is het slachtoffer, de vrouw is gewelddadig”.

Laten we elkaar goed begrijpen: er is geen sprake van het geweld tegenover vrouwen te minimaliseren: als er ook maar een enkele persoon (vrouw, man of kind) wordt geslagen, dan is dat één persoon teveel. Mijn doel: beter te begrijpen wat er op het spel staat bij echtelijk geweld om beter tussen te komen.

De statistische werkelijkheid

Als je je baseert op de politierapporten zouden er twaalf tot vijftien vrouwen worden geslagen tegenover één man. Die rapporten zijn maar ten dele geloofwaardig. De mannen lopen niet naar de politie of gaan niet naar de raadplegingen voor echtelijk geweld: zij zijn met reden bang niet geloofd te worden, belachelijk te worden gemaakt of beschuldigd te worden dat geweld te hebben uitgelokt. Nochtans zouden ze dat wél moeten doen.

Tientallen onderzoeken tonen een andere werkelijkheid rond echtelijk geweld: er zouden bijna evenveel mannen fysiek geslagen worden als vrouwen. Een studie uitgevoerd door het Instituut voor de Statistiek van Quebec besluit “dat het geweld van een echtgeno(o)t(e) of ex-echtgeno(o)ot(e) één man op 24 en één vrouw op 19 treft.”

Een andere statistiek die nog meer verbazingwekkend is, gerapporteerd door de Gazette des Femmes (nov-dec 2005, blad 27): “Volgens Statistique Canada is de hoeveelheid echtelijk geweld bij de homoseksuelen het dubbele dan dat wat aangetroffen wordt bij heteroseksuelen (15 tegen 7 procent)”. Karol O’Brien, medestichtster van de Groep tussenkomst bij echtelijk geweld bij de lesbiennes van Montréal schat deze omvang eerder op 22 tot 24 procent.

We staan ver vandaan van de man altijd beul en de vrouw altijd slachtoffer, die slechts gewelddadig wordt uit wettige zelfverdediging. De werkelijkheid is in 50 tot 70 procent van gewelddadige koppels dat beiden dat zijn. En in de gevallen waar één enkele het geweld pleegt, is dat evenveel of ongeveer evenveel het geval vanwege vrouwen als vanwege mannen.

Van liefde naar haat

Het belangrijkste is niet te weten wie de meest gewelddadige is, maar eerder te begrijpen hoe twee wezens die van elkaar houden ertoe komen erop los te kloppen. Buiten enige normale strijd om de macht tussen de twee partners is het echtelijk geweld in feite het gevolg van een dynamiek van actie-reactie waarin het antwoord van één van de partners ten opzichte van het gedrag van de andere antwoorden meebrengt die hoe langer hoe meer ongepast zijn.

Die escalatie of complementaire schismogenese ontstaat omdat de mannen en de vrouwen verschillende gevoeligheden hebben, omdat ze gepaalde relationele vaardigheden niet hebben ontwikkeld zoals inlevingsvermogen, openheid, communicatie… en omdat zij de anderen verantwoordelijk stellen voor hun behoeften, hun emoties en hun frustraties. Het gedrag wordt gewelddadig, maar de persoon, die lijdt.

Geen enkele therapie kan worden ingezet voor de persoon de volle verantwoordelijkheid opneemt voor zijn acties en reacties en ermee ophoudt de andere te beschuldigen dat hij ervoor verantwoordelijk is. Waarom is het zo moeilijk te aanvaarden dat er gedeelde verantwoordelijkheid is van de echtgenoten in het opzetten van een situatie die onverbiddelijk leidt naar een emotionele en fysieke explosie? Hoe anders te verklaren dat mannen en vrouwen elkaar altijd weer tegenkomen in gewelddadige relaties?

Elk is verantwoordelijk om geen geweld te plegen en om niet te aanvaarden dat geweld gepleegd wordt tegenover hem of haar.

Hoe zou u reageren als..

.. u een vrouw een man een oorveeg zag geven?
.. als u een man en een vrouw zou zien die bezig zijn elkaar te slaan?
.. een mannelijke vriend u zou zeggen dat diens vrouw hem slaat?
.. een koppel vecht in het appartement naast u?
.. een politieman een man arresteert terwijl de vrouw de aanvalster is?
.. uzelf een man is die door zijn vrouw geslagen wordt?

Dit artikel is een bijdrage van psycholoog Yvon Dallaire.