door Paul de Beer
1. Inleiding: wat is de middenklasse?
Kort voor zijn onverwachte overlijden schreef Thijs Wöltgens, onder meer oud-fractievoorzitter van de Tweede Kamerfractie van de PvdA, een prikkelend stuk voor NRC Handelsblad (12 april 2008), waarin hij betoogde dat de middenklasse aan het verdwijnen is. “Terwijl in het verleden de omvang van de middenklasse buitengewoon stabiel was, blijkt deze de laatste jaren dramatisch te krimpen.” Het verdwijnen van de middenklasse verklaarde volgens Wöltgens tevens de uitholling van het politieke midden en de populariteit van enerzijds de SP en anderzijds van de PVV en Trots op Nederland. De middenpartijen – in het bijzonder zijn eigen Partij van de Arbeid – doen er daarom verstandig aan zich wat minder druk te maken om “kwesties als het wel of niet geven van een hand, het dragen van een boerka of hoofddoekje”. En hij vervolgde: “Er is waarachtig wel meer aan de hand. En wel niets minder dan het verdwijnen van het midden. Dat midden is de ruggengraat van elke democratische samenleving. Handhaving en versterking van de middenklasse is op dit moment dus het hoogste gebod.”
Wöltgens stond zeker niet alleen in zijn opvatting dat de middenklasse onder druk staat. Zo verdrongen bij de algemene politieke beschouwingen van september 2007 de woordvoerders van de oppositiepartijen in de Tweede Kamer elkaar bij de interruptiemicrofoon om het kabinet te kapittelen voor de wijze waarop het de Hardwerkende Nederlander het gelag laat betalen voor het regeringsbeleid. Feitelijk vallen al sinds de jaren tachtig met enige regelmaat waarschuwingen te beluisteren voor een dreigende tweedeling van de samenleving, die zou uitmonden in een diepe kloof tussen de kansarme groepen aan de ‘onderkant’ en de kansrijken aan de ‘bovenkant’.
In deze bijdrage ga ik na hoe reëel de vrees voor het verdwijnen van de middenklasse in de Nederlandse samenleving is. Daarbij beperk ik mij tot de sociaal-economische aspecten van de middenklasse en ga ik voorbij aan sociaal-culturele en politieke aspecten.
Wie een gefundeerd oordeel wil vellen over de positie van de middenklasse stuit onmiddellijk op het probleem dat de meeste uitspraken over het lot van de middenklasse aan precisie missen. Daardoor is het lastig ze aan een kritisch oordeel te onderwerpen. In het algemeen doen zich twee problemen voor. In de eerste plaats geeft men meestal niet nauwkeurig aan wat men onder de middenklasse verstaat. In de tweede plaats is vaak niet duidelijk waaruit zou moeten blijken dat de middenklasse onder druk staat: gaat het erom dat de positie van de leden van de middenklasse verslechtert, of dat de middenklasse zelf geleidelijk aan het verdwijnen is? Beide vragen zijn overigens niet los van elkaar te beantwoorden.
Ook als men te rade gaat bij de wetenschappelijke literatuur, vindt men slechts zelden een scherpe definitie van de middenklasse. Theoretisch is de middenklasse dan ook een uiterst lastig concept. Er is veel theoretische literatuur over de onderklasse, de arbeidersklasse of het proletariaat. En er zijn eveneens de nodige – zij het beduidend minder – theoretische teksten over de hogere klasse of de elite. Maar de middenklasse is vaak niet veel meer dan een restcategorie, zij het dan wel een waarvan vaak wordt aangenomen dat zij meer dan de helft van de bevolking omvat. Het probleem begon al bij Karl Marx, de grondlegger van het klassenbegrip, die het bestaan van een middenklasse ontkende. Dat paste immers niet in zijn schema waarin alles draaide om de tegenstelling tussen arbeiders en kapitalisten. Hoewel veel kritiek op Marx zich juist op dit ontkennen van de middenklasse richtte, monde die kritiek meestal niet uit in een heldere definitie van wat die middenklasse precies typeert. Meestal wordt de middenklasse nog steeds in negatieve zin gedefinieerd, namelijk als het (grote) deel van de bevolking dat noch tot de arbeidersklasse of lagere klasse, noch tot de kapitalisten of hogere klasse behoort.
Een interessant uitzondering hierop vormt de moderne Marxistische socioloog Erik Olin Wright (1985, 1989). Hij borduurt voort op een centraal element in Marx’ klassenanalyse, namelijk uitbuiting of exploitatie. De kapitalistische klasse buit de arbeidersklasse uit door zich de meerwaarde die zij produceert, toe te eigenen. In deze analyse is geen plaats voor een middenklasse tussen de uitbuiters (de kapitalisten) en de uitgebuitenen (de arbeiders). Maar Wright stelt dat er wel degelijk ruimte is voor een middenklasse als we meerdere dimensies van uitbuiting onderscheiden. Hij definieert de middenklasse als die beroepsgroepen die worden uitgebuit in termen van kapitalistische uitbuiting, maar die zelf anderen uitbuiten via andere mechanismen. Relevante dimensies zijn volgens hem, naast het bezit van kapitaal, kennis en vaardigheden (skills) en controle over organisaties. De middenklasse bestaat in zijn visie dan ook uit professionals (die uitbuiten in termen van kennis en vaardigheden) en managers (die uitbuiten via hun controle over organisaties). Beschouwen we alleen werknemers met een functie op hbo- of academisch niveau als professionals, dan zou de middenklasse volgens deze definitie slechts een kwart van de beroepsbevolking omvatten. De lagere klasse, dat wil zeggen werknemers met een functie op ten hoogste mbo-niveau, zou dan liefst 60 procent van de beroepsbevolking uitmaken. De resterende vijftien procent van zelfstandigen vormt dan de ‘kapitalistische’ klasse.
Dit lijkt niet erg aan te sluiten bij de gangbare interpretatie van de middenklasse als een grote middengroep. Een passender afbakening van de middenklasse is dan ook dat deze bestaat uit alle werkenden (incl. zelfstandigen) die een functie op middelbaar niveau vervullen (d.w.z. een beroep waarvoor een mbo-, havo- of vwo-diploma is vereist). De middenklasse omvat dan bijna veertig procent van de beroepsbevolking, tegenover de lagere klasse (met een beroep op vmbo-niveau of lager) en de hogere klasse (met een beroep op hbo- of academisch niveau) elk dertig procent.
Als we het in het dagelijks spraakgebruik over de middenklasse hebben, bedoelen we daarmee meestal echter niet een beroepsgroep, maar de middeninkomensgroepen. Dit is de tweede interpretatie van de middenklasse waarvan ik in dit stuk zal uitgaan. De exacte afbakening van de middenklasse is dan onvermijdelijk willekeurig. Gebruikelijk is om bijvoorbeeld de ‘middelste’ vijftig of zestig procent van de inkomensverdeling als de middenklasse aan te merken. De twintig of vijfentwintig procent met de laagste inkomens vormt dan de lagere klasse en de twintig of vijfentwintig procent met de hoogste inkomens de hogere klasse. Verder is het gebruikelijk om bij de middeninkomensgroepen niet uit te gaan van het individuele inkomen, maar van het huishoudensinkomen. Definieert men de middenklasse als de middelste vijftig procent van de inkomensverdeling – oftewel het tweede en derde kwartiel – dan ligt de (relatieve) omvang van de middenklasse daarmee natuurlijk vast en kan er nooit sprake zijn van groei of krimp.
In het navolgende zal ik op grond van beide definities van de middenklasse – namelijk de middelbare beroepen en de midden-inkomensgroepen – de ontwikkeling die de middenklasse in de afgelopen decennia heeft doorgemaakt schetsen. Afhankelijk van wat relevant is, zal ik nagaan of de positie van de middenklasse verslechtert of verbetert dan wel of de middenklasse groeit of krimpt. Alvorens daartoe over te gaan bespreek ik echter eerst enkele theoretische argumenten waarom de positie van de middenklasse onder druk zou kunnen staan.
2. Economische theorieën over onder-, boven- en middenklasse
Zoals gezegd is er wel veel theoretische literatuur, en dat geldt zeker voor de economische literatuur, over de groepen aan de onderkant en aan de bovenkant van de samenleving, maar niet over de middengroepen. In veel theoretische beschouwingen blijven de middengroepen onbesproken of worden zij (impliciet) tot hetzij de hogere, hetzij de lagere groepen gerekend.
In de economische literatuur gaat het vooral om theorieën die de drijvende kracht zoeken in de technologische ontwikkeling en in de internationale arbeidsverdeling (of globalisering).
Een bekend voorbeeld van de eerste benadering is Jan Tinbergens race tussen technologie en opleiding. Tinbergen (1975) stelde dat technologische vooruitgang de vraag naar hoogopgeleiden vergroot, waardoor hun (arbeidsmarkt)positie verbetert. Dit wordt tegenwoordig meestal aangeduid als skill-biased technological change. Doordat steeds meer jongeren steeds langer naar school gaan, groeit tegelijkertijd ook het aanbod van hoogopgeleiden. Dit verzwakt hun (relatieve) arbeidsmarktpositie. Het hangt af van de grootte van beide effecten, of de positie van hoogopgeleiden ten opzichte van laagopgeleiden verbetert (de technologie wint de race) of verslechtert (de opleiding wint de race). Tot in de jaren tachtig leek het stijgende opleidingsniveau in Nederland – en in veel andere landen – te domineren en namen de beloningsverschillen tussen hoog- en laagopgeleiden af. Sinds de jaren negentig doet zich echter de omgekeerde ontwikkeling voor (Jacobs 2004).
Het is echter onduidelijk wat deze race tussen technologie en opleiding betekent voor de middenklasse: trekt die het meeste profijt van een snelle technologische ontwikkeling of juist van een sterke expansie van het onderwijs?
In de economische literatuur is er ook veel aanacht voor de gevolgen van toenemende internationale handel – kortweg globalisering – voor de arbeidsmarktpositie van hoog- en laagopgeleiden. Voortbouwend op Ricardo’s theorie van comparatieve voordelen, zouden laagopgeleiden in de rijke landen door groeiende handel met lagelonenlanden steeds meer concurrentie ondervinden van laagopgeleiden elders in de wereld. De hoogopgeleiden zouden daarentegen profiteren van een groeiende wereldwijde vraag naar hun capaciteiten. Hierdoor zouden de verschillen in beloning en/of in werkloosheid tussen hoogopgeleiden en laagopgeleiden in de rijke landen toenemen. Ook deze theorie is echter niet eenduidig over de consequenties hiervan voor de middengroepen.
Eind jaren tachtig poneerden de Amerikaanse economen Harrison en Bluestone in hun boek The Great U-Turn (1988; 1990) dat bedrijven conform moderne managementstrategieën trachten hun concurrentiepositie te versterken door te bezuinigen op loonkosten en de inzet van arbeid te flexibiliseren. Deze low road naar winstgevendheid zou resulteren in een polarisatie van de beloningsstructuur: groei aan de onderkant en aan de bovenkant, krimp in het midden.
De analyse van Harrison en Bluestone vond weinig steun onder de mainstream-economen, die zich vooral concentreerden op de hierboven geschetste verklaringen.
Recent wordt in de economische literatuur echter ook weer aandacht besteed aan de mogelijke gevolgen van technologische ontwikkeling en globalisering voor de (lagere) middengroepen. De Amerikaanse economen Autor, Katz en Kearny (2006) ontwikkelden een aangepaste versie van de theorie van de skill-biased technological change, waarin plaats is voor een derde groep, tussen de laagst geschoolden en de hooggeschoolden. De hoogste categorie vervult abstracte taken, de middelste categorie routinematige taken en de laagste categorie niet-routinematige handmatige taken. Het nieuwe element van hun theorie is, dat hierin juist de middengroep het zwaarst te lijden heeft van de technologische ontwikkeling. Technologische ontwikkeling (in het bijzonder ICT) vergroot de vraag naar abstract kenniswerk maar vermindert de vraag naar routinematige arbeid, zoals in veel administratieve en productiefuncties. Dat is immers bij uitstek werk dat door automaten en computers kan worden overgenomen. Het ongeschoolde handwerk, zoals schoonmaken, het besturen van auto’s (bv. taxi’s) en kranen, bewaking, werk in de horeca, etcetera, is juist, vanwege het niet-routinematige karakter, niet goed te automatiseren en wordt dan ook niet beïnvloed door technologische ontwikkeling. Het resultaat is dat het hoogste segment groeit, het middensegment krimpt en het laagste segment in omvang ongeveer gelijk blijft.
Ook in de literatuur over de gevolgen van globalisering is er de laatste jaren meer aandacht voor de effecten voor de middengroepen, al heeft dit nog niet geresulteerd in een samenhangende theorie. Er wordt met name op twee factoren gewezen die de positie van de middengroepen onder druk zetten. In de eerste plaats zouden nieuwe opkomende economieën als China en India niet langer alleen op goedkope, laaggekwalificeerde productie concurreren, maar steeds meer ook op hoogwaardige, kennisintensieve productie. Het bekendste voorbeeld daarvan zijn ICT-diensten, zoals software-ontwikkeling. Als gevolg daarvan ondervinden ook middelbaar opgeleide werknemers in de rijke landen steeds meer internationale concurrentie. Aangezien de lonen in deze opkomende economieën nog slechts een fractie zijn van die in West-Europa, is het voor veel bedrijven aantrekkelijk om werkzaamheden naar de lagelonenlanden te verplaatsen (outsourcing en offshoring) (zie bijvoorbeeld Friedman, 2005).
In de tweede plaats zou globalisering, en vooral de haast onbelemmerde mobiliteit van kapitaal, het bedrijfsleven in de rijke landen dwingen hun productie steeds flexibeler te organiseren. Deze behoefte aan flexibiliteit wordt in belangrijke mate afgewenteld op de factor arbeid. Als gevolg daarvan komen er niet alleen meer flexibele contracten, maar neemt ook de baanzekerheid van het kernpersoneel af. De ‘baan voor het leven’ bestaat al niet meer, maar ook werknemers met een contract ‘voor onbepaalde duur’, kunnen er steeds minder van op aan dat die duur niet binnen een paar jaar ten einde zal zijn en zij op zoek moeten naar een nieuwe baan. Dit leidt niet alleen tot inkomensonzekerheid, maar verzwakt ook de onderhandelingspositie van de traditionele werknemers tegenover hun werkgever, hetgeen zich weer vertaalt in een (relatieve) verslechtering van arbeidsvoorwaarden. Deze these over de ‘precarisering’ van de middenklasse is tot nog toe overigens vooral door sociologen naar voren gebracht (bv. Beck 1999, Sennett 2006).
3. De middenklasse als beroepsgroep
In deze paragraaf beschrijf ik de ontwikkeling van de middenklasse in de afgelopen decennia als deze wordt gedefinieerd als de middelbare beroepen. In de volgende paragraaf komt het wel en wee van de middeninkomensgroepen aan de orde. Tenzij anders vermeld zijn de cijfers in deze paragraaf ontleend aan de internet database van het CBS, Statline.
3.1. Neemt het belang van de middengroepen af?
Het Centraal Bureau voor de Statistiek deelt de beroepen in ons land in op basis van het vereiste opleidingsniveau. Dit maakt het eenvoudig om na te gaan of de middenklasse, gedefinieerd als de beroepsgroepen op middelbaar niveau, groeit of krimpt. Het CBS onderscheidt vijf beroepsniveaus: elementair, lager, middelbaar, hoger en academisch. Voor de eerste twee beroepsgroepen is een opleiding op ten hoogste vmbo-niveau vereist, voor de laatste twee is een hbo- of wo-diploma vereist. De middelbare beroepen, waarvoor een opleiding op havo-, vwo- of mbo-niveau nodig is, kunnen dan worden beschouwd als de beroepsgroep van de middenklasse. Op grond van deze definitie behoort 38 procent van de Nederlandse beroepsbevolking tot de middenklasse. Figuur 1 schetst het aandeel van de drie ‘klassen’ op basis van het beroepsniveau in de totale werkzame beroepsbevolking sinds 1985. Het aandeel van de lagere klasse (elementaire en lagere beroepen) is in 21 jaar tijd met tien procentpunten afgenomen (van 40,6 naar 30,5%), terwijl het aandeel van de hogere klasse (hogere en wetenschappelijke beroepen) met tien procentpunten is gegroeid (van 19,8 naar 30,0%). Het aandeel van de middengroepen is nagenoeg gelijk gebleven (38,6% in 1985 en 38,3% in 2006). Zo bezien vormt de middenklasse dus een zeer stabiel segment van de beroepsbevolking.
Op grond van een andere functieniveau-indeling (nl. die van Huijgen 1989, zie ook Asselberghs et al. 1998) kunnen we het aandeel van de middenklasse nog verder terug volgen, en wel tot 1960. Volgens deze indeling (waarbij functieniveaus 4 en 5 als de middenklasse worden aangemerkt) bedroeg het aandeel van de middenklasse in 1960 36,6 procent en in 1995 34 procent, hetgeen erop duidt dat ook over een periode van bijna een halve eeuw de middenklasse maar weinig in (relatieve) omvang is veranderd.
Dat het aandeel van de middelbare beroepen in de totale werkgelegenheid opmerkelijk stabiel is, betekent niet dat er op het niveau van individuele beroepen niet een grote dynamiek is. Tabel 1 toont de groei en krimp van de werkgelegenheid in de verschillende middelbare beroepen tussen 1996 en 2006. Voor bijna twee op de drie middelbare beroepen is de werkgelegenheid in deze periode gegroeid, maar bij een op de drie was er sprake van krimp. De groei deed zich vooral voor in dienstverlenende beroepen, de krimp in productie- en agrarische beroepen.
| Tabel 1: Groei en krimp van middelbare beroepen tussen 1996 en 2006 | ||
| abs. (x1000) | In % | |
| middelbaar admin. medew., directiesecretaresse, boekhouder | 71 | 18 |
| makelaar, bankemployee, verzekeringsagent, inkoper | 45 | 16 |
| sociotherapeut, ziekenverzorgende | 41 | 73 |
| personeelsfunctionaris, maatsch. werker, consulent | 38 | 67 |
| ober-kelner, chef-kok, crècheleidster, kapper | 27 | 14 |
| computeroperator, programmeur | 24 | 44 |
| doktersassistent, operatie-assistent, kraamverzorgende | 20 | 19 |
| opticien, apothekersassistent, kraamverzorgende | 20 | 19 |
| aannemer, loodgieter, meubelmaker | 10 | 6 |
| bedrijfshoofd hotel, restaurant | 8 | 20 |
| productieplanner, werkvoorbereider | 7 | 13 |
| politieagent, rechercheur | 7 | 15 |
| redacteur, bibliotheekassistent | 6 | 22 |
| belastingambtenaar, -consulent, deurwaarder | 4 | 11 |
| machinebankwerker, automonteur, treinbestuurder | 3 | 2 |
| conducteur, havenmeester, steward(ess) | 3 | 11 |
| medisch secretaresse | 3 | 20 |
| cnc-programmeur-verspaner, constructiebankwerker | 1 | 2 |
| procesoperator, banketbakker | 0 | 0 |
| detailhandelaar, eerste cassière | -1 | -1 |
| bloemschikker, boswachter, assistent-landbouwkundig onderzoeker | -3 | -33 |
| bedrijfshoofd transportbedrijf | -3 | -11 |
| technisch werkvoorbereider, reclameschilder | -3 | -16 |
| overige middelbare beroepen | -5 | -13 |
| kleermaker, stoffeerder, electronicamonteur, brandweerman | -5 | -9 |
| weg- en waterbouwkundig opzichter, calculator, baggermachinist | -6 | -19 |
| elektricien, installateur, elektronicamonteur | -11 | -11 |
| drukker, bedrijfshoofd drukkerij | -15 | -41 |
| bedrijfshoofd agrarische bedrijf | -30 | -25 |
| Totaal | 248 | 10 |
| De genoemde beroepen zijn typerende voorbeeldberoepen in de door het CBS onderscheiden beroepsklassen (die meer algemene benamingen hebben, zoals 'middelbaar (para)medisch algemeen beroep'). | ||
| Bron: CBS (Statline); Bewerking PdB | ||
3.2. Verslechtert de relatieve positie?
Het stabiele aandeel van de middenberoepen in de beroepsbevolking zegt nog niets over hun relatieve positie. Het is immers denkbaar dat de positie van middenklassers in termen van baanzekerheid of beloning is verslechterd. Helaas publiceert het CBS maar weinig gegevens over de middelbare beroepen. Over de periode 1996-2006 is alleen bekend hoe deze beroepen zijn verdeeld over vaste en flexibele banen en zelfstandigen. Er wordt nogal eens verondersteld dat de flexibilisering van de arbeidsmarkt de baanzekerheid van de middengroepen aantast. Dit blijkt echter niet uit het aandeel werkenden met een middelbaar beroep dat een vaste aanstelling heeft: dit is tussen 1996 en 2006 zelfs iets toegenomen van 79 naar 80 procent (al bedroeg het in 2003 zelfs 82%). Dit percentage komt vrijwel overeen met dat van de totale werkzame beroepsbevolking. Er zijn dus geen aanwijzingen dat de middelbare beroepen steeds meer flexwerkers of zelfstandigen tellen.
Nu zegt het aandeel vaste banen nog niet zoveel over de baanzekerheid. Zo is het tegenwoordig haast gemeengoed dat ‘de baan voor het leven’ tot het verleden behoort. Het is dan ook denkbaar dat een vaste aanstelling steeds minder zekerheid biedt en gemiddeld van kortere duur is dan in het verleden het geval was. Helaas zijn hierover geen gegevens beschikbaar die specifiek op de middelbare beroepen betrekking hebben. We moeten het doen met cijfers over de baanduur van de gehele werkzame beroepsbevolking. Die cijfers bieden echter allerminst steun voor de (veronder)stelling dat de baanzekerheid afneemt. Tussen 1992 en 2006 is de gemiddelde baanduur (dat is het aantal jaren dat een werknemer bij dezelfde werkgever in dienst is) zelfs toegenomen van 9 naar 10 jaar. Het percentage van de werkenden dat minder dan vijf jaar bij hetzelfde bedrijf werkt daalde in deze periode van 46 naar 40 procent. Hoewel er geen cijfers zijn over de baanduur van de middelbare beroepen, hebben we voor de periode vanaf 2000 wel cijfers over de baanduur van middelbaar opgeleiden: die blijkt exact gelijk te zijn aan die van de totale werkzame bevolking.
Een andere indicator voor toenemende werkonzekerheid is het werkloosheidspercentage. Opnieuw zijn er geen cijfers naar beroepsgroep – simpelweg omdat werklozen volgens de definitie van het CBS geen beroep (meer) hebben – maar wel naar opleidingsniveau. Figuur 2 vergelijkt het werkloosheidspercentage (gedefinieerd als de werkloze beroepsbevolking in procenten van de totale beroepsbevolking) van middelbaar opgeleiden (personen met een hoogst behaalde opleiding op havo-, vwo- of mbo-niveau) met dat van laag en hoog opgeleiden en met het totale werkloosheidspercentage. Over de gehele periode sinds 1975 schommelt de werkloosheid van middelbaar opgeleiden rond de vijf procent. Van een trendmatige toename van het werkloosheidsrisico is over deze periode geen sprake, van een duidelijke afname overigens evenmin. Hoewel het werkloosheidsrisico van middelbaar opgeleiden steeds tussen dat van laag en hoog opgeleiden in lag, is sinds het midden van de jaren tachtig het verschil met laag opgeleiden kleiner geworden. Dit komt echter vooral doordat het werkloosheidspercentage onder laag opgeleiden – anders dan vaak wordt aangenomen – sterk verminderd is.
Samenvattend concludeer ik dat, ondanks de veelvuldige geluiden dat de baanzekerheid afneemt en de middengroepen met steeds meer onzekerheid worden geconfronteerd, de beschikbare cijfers hiervoor geen aanwijzingen bieden.
Hoe zit het met een tweede belangrijke aspect van het werk: de beloning? Helaas hebben we ook hierover nauwelijks specifieke gegevens voor de werkenden in een middelbaar beroep. Het CBS heeft alleen voor het jaar 2002 cijfers gepubliceerd over de beloning naar beroepsniveau. Daaruit blijkt dat werkenden in een middelbaar beroep in 2002 gemiddeld de helft meer verdienden dan werkenden in een elementair beroep, ruim een kwart meer dan werkenden in een lager beroep, een kwart minder dan werkenden in een hoger beroep en 40 procent minder dan werkenden in een wetenschappelijk beroep. De middelbare beroepen bevonden zich dus ook in het midden van de loonverdeling.
Willen we de ontwikkeling in de tijd volgen, dan moeten we het doen met gegevens over het gemiddelde loon naar opleidingsniveau. Ook die gegevens zijn trouwens verre van compleet, doordat (nog) geen informatie beschikbaar is voor de jaren 1994-1997 en 2003-2007. Figuur 3 toont de ontwikkeling van het gemiddelde reële bruto uurloon van middelbaar opgeleide werknemers en van alle werknemers tezamen in de periode 1969-2002. De cijfers zijn ontleend aan de CBS publicaties Tijdreeks arbeidsrekeningen 1969-1993, de Sociaal-Economische Maandstatistiek 2002 nr 12 en Sociaal Economische Trends 2005 nr 2. Over een periode van 33 jaar is het reële loon van middelbaar opgeleiden met 41 procent gestegen, dat wil zeggen met gemiddeld één procent per jaar. Die stijging is echter volledig gerealiseerd in het eerste decennium van deze periode (1969-1979). Gedurende de diepe recessie van de eerste helft van de jaren tachtig daalde het reële loon scherp, om daarna lange tijd stabiel te blijven en pas recent weer fors te stijgen. Het gemiddelde loon van alle werknemers maakte globaal dezelfde ontwikkeling door, maar viel begin jaren tachtig minder sterk terug en herstelde zich daarna aanzienlijk krachtiger. Daardoor is het loon van middelbaar opgeleiden beduidend achtergebleven bij de gemiddelde loonontwikkeling. Terwijl het loon van middelbaar opgeleiden rond 1970 nog 17 procent boven het gemiddelde loon lag, lag het er in 2002 7 procent onder. Hierbij dient men wel te bedenken dat in deze periode het aandeel laag opgeleide werknemers is gekrompen en het aandeel hoog opgeleide werknemers is gegroeid, zodat de stijging van het gemiddelde loon deels wordt verklaard door de stijging van het gemiddelde opleidingsniveau van de werkzame bevolking.
Vergelijkt men de ontwikkeling van het uurloon van andere opleiding-sniveaus met die van de middelbaar opgeleiden (figuur 4), dan blijken de laag opgeleiden in de periode 1969-1993 flink terrein te hebben gewonnen. Tussen 1998 en 2002 moesten zij echter weer wat terrein prijsgeven ten opzichte van de middelbaar opgeleiden. De beloningsachterstand van middelbaar ten opzichte van hoog opgeleiden is de afgelopen decennia nauwelijks veranderd.
Bovenstaande cijfers beperken zich tot het gemiddelde loon van bepaalde groepen. Er wordt echter wel eens gesuggereerd dat de opvallendste veranderingen zich voordoen in de loonspreiding. Soms wordt gesteld dat er steeds meer sprake is van een polarisatie van de lonen, waardoor het midden geleidelijk wordt uitgehold (Harrison & Bluestone 1988).
Figuur 5 schetst de verdeling van het loon van voltijd werknemers (dat zijn werknemers die het standaard aantal uren werken) in een aantal jaren sinds 1972. De gegevens tot 1994 zijn ontleend aan de jaarlijkse Statistische zakboeken en Statistische jaarboeken van het CBS. De gegevens beperken zich tot voltijd werknemers om te voorkomen dat de groei van het aantal deeltijders – die, bij een zelfde uurloon, per week of per jaar minder verdienen – het beeld vertekent. Bovendien valt er wat voor te zeggen om bij de hier gehanteerde definitie alleen kostwinners – die doorgaans fulltime werken – tot de middenklasse te rekenen. De loonverdeling in verschillende jaren is in figuur 5 zo weergegeven dat het mediane loon – dat wil zeggen het middelste loon, waar 50 procent onder en 50 procent boven ligt – steeds gelijk aan 100 is gesteld. De figuren tonen dus de spreiding rond de mediaan. Figuur 5a laat zien dat tussen 1972 en 1984 de spreiding van de lonen kleiner werd doordat het aandeel lage lonen sterk verminderde en het aandeel rond en vlak onder de mediaan fors groeide. Afgemeten aan de loonverhoudingen groeide de middenklasse in deze periode dus sterk. Tussen 1984 en 1994 nam de loonspreiding echter weer toe. Zowel het aandeel lagere lonen als het aandeel hogere lonen groeide, ten koste van het aandeel werknemers met een loon rond de mediaan. In de periode 1995-2005 lijkt deze tendens zich te hebben voortgezet, zij het in minder sterke mate. Door een verandering in meet- en registratiemethoden zijn de cijfers tot 1994 en vanaf 1995 niet met elkaar te vergelijken. De laatste twintig jaar was er dus sprake van een toename van de beloningsverschillen. Hoewel het midden van de loonverdeling hierdoor meer uitgerekt is, blijft er een duidelijke concentratie van werknemers rond het mediane loon. Er is dus geen sprake van dat de middengroep geleidelijk zou verdwijnen doordat de lonen zich steeds meer concentreren aan de onderkant en de bovenkant van de loonverdeling (een bi-modale verdeling).
4. De middenklasse als inkomensgroep
Zoals eerder aangegeven definieer ik de middenklasse als inkomensgroep als de middelste vijftig procent van de inkomensverdeling, oftewel het tweede en derde kwartiel. Als inkomenseenheid neem ik hierbij het besteedbare huishoudensinkomen. Het voordeel van deze definitie is dat er cijfers beschikbaar zijn vanaf 1946, dus over een periode van liefst zestig jaar. Wel hebben de cijfers vóór 1990 alleen betrekking op het inkomen van alleenstaanden en echtparen, zodat andere inkomenstrekkers binnen het huishouden (zoals kinderen of ongehuwde partners) buiten beschouwing blijven. Daardoor zijn de cijfers vóór en vanaf 1990 niet geheel vergelijkbaar.
Figuur 6 schetst de ontwikkeling van het reële besteedbare inkomen van de drie onderscheiden inkomensgroepen, waarbij het inkomen in het jaar 1946 op 100 is gesteld. We kunnen drie perioden onderscheiden. Tot 1965 gingen de inkomens van de verschillende groepen min of meer gelijk op en bleef de inkomensongelijkheid ruwweg gelijk. Tussen 1965 en 1978 stegen de lagere inkomens explosief. De middeninkomens bleven daar duidelijk bij achter, maar stegen in deze periode niettemin met ruim de helft. De hogere inkomens bleven nog meer achter doordat zij ‘slechts’ met zo’n twintig procent stegen. De inkomensverschillen werden in deze periode dus aanzienlijk kleiner. In de laatste periode, 1978-2005, bleef het reële inkomen van de verschillende inkomensgroepen per saldo vrijwel gelijk. Tussen 1978 en 1984, ten tijde van de diepe economische recessie die de Nederlandse economie doormaakte, daalden de inkomens fors. Daarna herstelden ze zich heel langzaam, met een versnelling aan het eind van de jaren negentig. Tussen 1984 en 2005 steeg het reële inkomen van zowel de middeninkomens als de hogere inkomens met 16 à 17 procent. De lagere inkomens bleven daar met een inkomensstijging van 8 procent, ruim bij achter. Zo bezien is de relatieve inkomenspositie van de middenklasse de afgelopen twintig jaar verbeterd. Niettemin zou het feit dat het reële inkomen van de middengroepen sinds 1978 (!) per saldo niet meer is gestegen, het heel begrijpelijk maken als er onder de middengroepen de nodige ontevredenheid bestaat over hun inkomensontwikkeling.
Hoewel de reële inkomensontwikkeling van de middengroepen door veel meer factoren wordt bepaald dan de loonstijging – denk aan de ontwikkeling van uitkeringsniveaus, belastingen, aantal tweeverdieners, et cetera – laat vergelijking van de figuren 3 en 6 zien dat de ontwikkeling van de inkomens die van de lonen vrij nauw volgt. Dit duidt erop dat de stagnatie van de middeninkomens primair wordt verklaard door de reële loonmatiging in de afgelopen dertig jaar. We zouden dit kunnen zien als de keerzijde van de succesvolle Nederlandse banenmachine.
Bij deze cijfers dient men te bedenken dat ze niet de inkomensontwikkeling van individuele huishoudens weergeven, maar slechts het gemiddelde van een omvangrijke categorie van huishoudens. Individuele huishoudens bewegen zich doorgaans in de loop van de tijd door de inkomensverdeling heen. Sommigen gaan over van de lagere naar de midden inkomensgroepen of van de midden naar de hogere inkomens, al komen neerwaartse bewegingen natuurlijk ook voor, bijvoorbeeld wanneer de kostwinner in een huishouden werkloos of arbeidsongeschikt wordt of met pensioen gaat.
Voor de periode 2001-2004 heeft het CBS cijfers gepubliceerd over deze inkomensdynamiek van individuele huishoudens (Sociaal-economische trends 2006 (2) 28-33). Omdat het CBS hierin alleen tien-procents-groepen (decielen) onderscheidt, definieer ik de middenklasse hier, in afwijking van het voorgaande, als de middelste 60 procent van de inkomensverdeling (oftewel het derde tot en met achtste deciel). Bovendien hebben deze cijfers betrekking op het gestandaardiseerde besteedbare inkomen, dat wil zeggen gecorrigeerd voor verschillen in huishoudens-samenstelling. Dit betekent dat men ook kan stijgen of dalen doordat de huishoudsamenstelling verandert -huwelijk, scheiding, geboorte van een kind, een kind verlaat het huis, etc.- zonder dat het huishoudinkomen verandert. 78 procent van de huishoudens die in 2001 tot de middeninkomensgroepen behoorden, maakte daar in 2004 nog steeds deel van uit (tabel 2). Elf procent was afgedaald naar de lagere inkomensgroepen en een zelfde percentage was gestegen naar de hogere inkomensgroepen. Het aandeel middenklassers dat terugvalt naar de lagere klasse is dus relatief klein. Maar het is natuurlijk ook mogelijk dat men binnen de middenklasse terrein prijs moet geven. Van de 78 procent die in beide jaren tot de middenklasse behoorde, ging 21 procent minimaal een deciel achteruit en 30 procent minimaal een deciel vooruit. 27 procent (d.w.z. 35% van de ‘blijvende’ middenklassers) bleef in hetzelfde deciel. Een achteruitgang in deciel hoeft nog niet te betekenen dat men daadwerkelijk in inkomen achteruitgaat. Het gaat hier immers om een verandering in de rangorde van inkomens. Het betekent wel dat anderen een gunstiger inkomensontwikkeling doormaakten. Ik concludeer dat, hoewel er onder de middenklassers nogal wat inkomensmobiliteit is, bijna vier op de vijf middenklasse huishoudens vier jaar later nog steeds tot de middenklasse behoren. Slechts een op de negen valt uit de middenklasse terug naar de lagere inkomensklasse en daarnaast gaat een op de vijf minstens een deciel achteruit, maar blijft wel deel uitmaken van de middeninkomensgroepen.
Ook al is de kans op neerwaartse mobiliteit voor de leden van de middenklasse niet al te groot, het is denkbaar dat deze kans in de loop van de tijd groter wordt, en de kans om hogerop te komen navenant kleiner. Om na te gaan of dit het geval is vergelijk ik de inkomensmobiliteit in de periode 2001-2004 met die in de periode 1995-2000, waarover het CBS eerder cijfers publiceerde (Sociaal-economische maandstatistiek 2002 (6): 14-18). Doordat deze eerdere periode een jaar meer omvat dan de meer recente periode, zijn de cijfers helaas niet geheel vergelijkbaar. Tussen 1995 en 2000 zakte 13 procent van de middenklassers terug naar de lagere klasse, terwijl 12 procent zich omhoog wist te werken naar de hogere klasse. Beide cijfers zijn hoger dan in de periode 2001-2004, maar lijken geheel verklaarbaar uit het feit dat deze periode een jaar langer is. Het lijkt er dus op dat zowel het risico van middenklassers om terug te vallen naar de lagere inkomensklassen als de kans om door te dringen tot de hogere klassen in de afgelopen tien jaar niet is veranderd. Voor degenen die tot de middenklasse bleven behoren was de kans op neerwaartse mobiliteit in de meer recente periode wat kleiner en de kans op opwaartse mobiliteit wat groter dan in de periode 1995-2000. Deze cijfers bieden dus geen steun voor de stelling dat middenklassers steeds meer risico lopen op neerwaartse mobiliteit.
| Tabel 2: Inkomensmobiliteit van de
middenklasse (in procenten) Gedefinieerd als het 3e t/m 8e deciel van de verdeling van gestandaardiseerde besteedbare huishoudinkomens. |
||||||
|
neerwaarts |
stabiel |
opwaarts |
totaal |
|||
| naar lagere klasse | binnen midden-klasse | binnen midden-klasse | naar hogere klasse | |||
| 2001-2004 | 11 | 21 | 27 | 30 | 11 | 100 |
| 1995-2000 | 13 | 26 | 22 | 27 | 12 | 100 |
| Bron: CBS Sociaal-economische maandstatistiek 2002, staat 6 en Sociaal-economische trends 2006, staat 6 | ||||||
Tot slot ga ik nog na in welke mate de middenklasse profiteert van publieke voorzieningen. Periodiek schat het SCP dit z.g. ‘profijt van de overheid’. De meest recente cijfers hebben betrekking op het jaar 2003 (Kuhry & Pommer 2006). Deze hebben betrekking op aan individuele huishoudens toerekenbare uitgaven en voorzieningen op het gebied van volkshuisvesting, onderwijs, openbaar vervoer, cultuur en recreatie, maatschappelijke dienstverlening, zorgverzekering en bestaanskosten. Van de totale uitgaven komt 52 procent ten goede aan de middenklasse, gedefinieerd als de middelste 60 procent (het derde tot en met achtste deciel). De middengroepen profiteren daarmee verhoudingsgewijs minder van overheidsvoorzieningen dan de laagste inkomens (25% profijt voor 20% van de huishoudens) en de hoogste inkomens (23% profijt voor 20% van de huishoudens). De middengroepen komen er vooral bekaaid af bij het onderwijs en, in wat mindere mate, bij volkshuisvesting en openbaar vervoer. Hierbij dient men zich wel te realiseren dat het SCP het profijt van studenten van 18 jaar en ouder, ook als zij nog thuis wonen, volledig aan de studenten zelf toerekent en niet aan de ouders. Zou men het laatste doen, dan stijgt het totale profijt van de middengroepen naar 57 procent, waardoor zij verhoudingsgewijs meer profiteren dan de laagste inkomensgroepen (waartoe veel studerenden behoren), maar nog wel minder dan de hoogste inkomens. Opmerkelijk genoeg trekt het middelste, vijfde deciel, het minste profijt trekt van publieke voorzieningen.
Bij deze cijfers moet wel worden opgemerkt dat de verdeling van het profijt wordt gerelateerd aan het besteedbare inkomen van huishoudens, dat wil zeggen het inkomen na aftrek van belastingen en sociale premies. Met het effect van deze heffingen op de verdeling van het inkomen wordt dus geen rekening gehouden.
Het SCP heeft het profijt in 2003 ook vergeleken met dat in 1991 en 1999 (Kuhry & Pommer 2006: 116). Figuur 7 laat zien dat het profijt van de onderste helft van de middenklasse, het derde, vierde en vijfde deciel, tussen 1991 en 2003 weinig is veranderd, terwijl het profijt van de bovenste helft van de middenklasse, het zesde, zevende en achtste deciel, beduidend is verminderd. Vooral de hogere middenklasse heeft dus enige grond om te klagen dat men steeds minder proifteert van door de overheid gefinancierde voorzieningen.
5. Conclusie
Staat de middenklasse onder druk?
De cijfers die ik in deze bijdrage heb gepresenteerd laten zien dat er geen sprake van is dat de middenklasse geleidelijk zou verdwijnen, noch als we de middenklasse definiëren in termen van beroepsgroep, noch in termen van inkomensklasse. Zowel de middelbare beroepen als de middeninkomensklassen vormen een opmerkelijk stabiel segment van de bevolking. Dat betekent evenwel niet dat de positie van de middenklasse niet in bepaalde opzichten onder druk kan staan. Zowel als het om baanzekerheid als om werkzekerheid gaat, lijkt er, ondanks regelmatig geuite zorgen, weinig aan de hand. Het aandeel vaste banen is stabiel, de gemiddelde baanduur neemt eerder toe dan af en het werkloosheidsrisico van middelbaar opgeleiden is op langere termijn nauwelijks veranderd. Wel worden de middelbaar opgeleiden al een kwart eeuw geconfronteerd met een stagnerende reële (uur)loonontwikkeling. Hoewel de lonen recent weer lijken aan te trekken, was het gemiddelde reële uurloon van een middelbaar opgeleide in 2002 nog iets lager dan in 1979, terwijl het gemiddelde uurloon van alle werknemers tezamen in die periode met elf procent is gestegen. Vooral de beloningsvoorsprong van middelbaar opgeleiden ten opzichte van lager opgeleiden is geslonken. Sinds het midden van de jaren tachtig neemt bovendien de loonongelijkheid toe, waardoor binnen de middengroepen de spreiding van lonen groter wordt.
Ook de middeninkomensklasse (op basis van het besteedbare huishoudens-inkomen) is in een kwart eeuw tijd in reële termen niet vooruitgegaan. Wel is de relatieve inkomenspositie van de middeninkomens ten opzichte van de lagere inkomens de afgelopen twee decennia iets verbeterd. Het reële inkomen van de middenklasse als geheel mag dan stagneren, sommige individuele huishoudens slagen er wel in hun relatieve positie te verbeteren. Een op de negen middeninkomenshuishoudens wist in de periode 2001-2004 door te dringen tot de hoogste twee inkomensdecielen. De kans om terug te vallen naar de twee onderste decielen is echter even groot. Vergeleken met de periode 1995-2000 is daarin weinig veranderd. Er zijn dus noch aanwijzingen dat de opwaartse mobiliteit toeneemt, noch dat de neerwaartse inkomensmobiliteit toeneemt. Tot slot bleek dat de middeninkomens minder dan evenredig profiteren van overheidsvoorzieningen en dat hun profijt – vooral van de hogere middengroepen – in de loop van de tijd bovendien is afgenomen. Kortom, de middenklasse mag dan een zeer stabiel segment van de samenleving zijn en de angst voor het verdwijnen van de middenklasse vooralsnog ongegrond, dat neemt niet weg dat de inkomenspositie van de middenklasse de afgelopen decennia wel onder druk stond.
Paul de Beer werkt maandag en dinsdag bij De Burcht, centrum voor arbeidsverhoudingen. Van woensdag tot vrijdag zit hij op de Henri Polak leerstoel voor arbeidsverhoudingen aan het Instituut voor Arbeidsstudies (AIAS) van de Universiteit van Amsterdam.
Literatuur
Asselberghs, K., R. Batenburg, F. Huijgen & M. De Witte (1998). De kwalitatieve structuur van de werkgelegenheid in Nederland, deel IV. Bevolking in loondienst naar functieniveau: ontwikkelingen in de periode 1985-1995, OSA-voorstudie V44. Den Haag: Organisatie voor Strategisch Arbeidsmarktonderzoek.
Autor, David H., Lawrence F. Katz, & Melissa S. Kearny (2006) The Polarization of the U.S. Labor Market. NBER Working Paper 11986 Cambridge (Mass.): National Bureau of Economic Research.
Beck, Ulrich (1999) Schöne neue Arbeitswelt, Frankfurt/New York: Campus Verlag.
Friedman, Thomas L. (2005) The World is Flat. A brief history of the twenty-first century, New York: Farrar, Straus & Giroux.
Harrison, Bennett & Barry Bluestone (1988) The Great U-Turn: Corporate Restructuring and the Polarizing of America, New York: Basic Books.
Harrison, Bennett & Barry Bluestone (1990) Wage polarisation in the US and the ‘flexibility debate’, Cambridge Journal of Economics 14(3): 351-373.
Huijgen, F. (1989) Opleiding van werknemers en het niveau van hun werk. De kwalitatieve structuur van de werkgelegenheid 1960-1985. In: I. Gadourek & J.L. Peschar (red.). De open samenleving. Sociale veranderingen op het terrein van geloof, huwelijk, onderwijs en arbeid in Nederland, Boekaflevering Mens en Maatschappij 64: 79-106.
Jacobs, Bas (2004) The lost race between schooling and technology. De Economist 152, 1: 47-78.
Kuhry, Bob & Evert Pommer, m.m.v. Jedid-Jah Jonker en John Stevens (2006) Publieke productie en persoonlijk profijt. De productie van publieke diensten en profijt van de overheid, 1990-2003. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.
Sennett, Richard (2006) The Culture of the New Capitalism, New Haven/London: Yale University Press.
Tinbergen, Jan (1975) Income Distribution: Analysis and Policies, Amsterdam/Oxford: North-Holland Publishing Company.
Wöltgens, Thijs (2008) Links moet zich weer met veel meer nadruk richten op het vraagstuk van de verdeling, NRC Handelsblad (Opinie & Debat), 12 & 13 april 2008. Wright, Erik Olin (1985) Classes, London/New York: Verso.
Wright, Erik Olin et al. (1989) The Debate on Classes, London/New York: Verso.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten